ECLI:NL:RBMNE:2025:6304

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/16/577954 / HA ZA 24-347
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt schijn van volmacht en veroordeelt tot betaling openstaande facturen

In deze civiele zaak stond centraal of tussen eiseres B.V. en gedaagde sub 1 een raamovereenkomst tot stand was gekomen. Hoewel niet vaststond dat A namens gedaagde sub 1 bevoegd was de overeenkomst te sluiten, heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres zich met succes kon beroepen op schijn van volmacht. Dit omdat gedaagde sub 1 door zijn handelen en de nauwe verwevenheid tussen zijn eenmanszaak en de coöperatie de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van A heeft gecreëerd.

Diverse getuigenverklaringen van medewerkers van eiseres bevestigden dat gedaagde sub 1 telefonisch contact had met eiseres en verwees naar A, waardoor eiseres redelijkerwijs mocht aannemen dat A bevoegd was. Gedaagde sub 1 had bovendien het vaste telefoonnummer laten doorschakelen naar zijn mobiele nummer en niet duidelijk gemaakt dat er sprake was van twee onderscheiden ondernemingen.

De rechtbank veroordeelde gedaagde sub 1 tot betaling van de openstaande facturen ter hoogte van € 92.752,62, vermeerderd met wettelijke handelsrente, alsmede buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten. De coöperatie werd niet veroordeeld omdat zij niet gebonden was aan de overeenkomst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde sub 1 wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen en bijkomende kosten wegens schijn van volmacht.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/577954 / HA ZA 24-347
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.A.J. Brouwers,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. S.R. Markus,
2.
[gedaagde sub 2] U.A.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de coöperatie,
niet verschenen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis met bewijsopdracht van 22 januari 2025,
  • aanvullende productie van [eiseres] ,
  • aanvullende productie van [gedaagde sub 1] ,
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 2 april 2025,
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 2 juli 2025,
  • conclusie na getuigenverhoor van [eiseres] ,
  • antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde sub 1] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] een (raam)overeenkomst tot stand is gekomen. Voor een goed begrip van de zaak wordt verwezen naar het tussenvonnis van 22 januari 2025. In het dossier bevindt zich een raamovereenkomst tussen [eiseres] en “ [naam] ’. Deze overeenkomst is ondertekend door [A] , namens “ [naam] ”. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiseres] op basis van verstrekte gegevens van “ [naam] ’ mocht begrijpen dat [A] handelde namens de eenmanszaak van [gedaagde sub 1] en de eenmanszaak haar contractspartij bij de raamovereenkomst betrof. In het tussenvonnis heeft de rechtbank echter ook geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [A] een volmacht had om namens [gedaagde sub 1] de raamovereenkomst te sluiten.
2.2.
Het is dan ook de vraag of [eiseres] zich met succes kan beroepen op schijn van volmachtverlening. [1] In dat kader heeft de rechtbank [eiseres] in het tussenvonnis opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat [eiseres] door een verklaring of gedraging van [gedaagde sub 1] heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend, althans feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde sub 1] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. In het kader van de bewijsopdracht zijn [B] , [C] , [D] en [E] (in enquête) en [gedaagde sub 1] en [A] (in contra-enquête) als getuigen gehoord. Daarnaast zijn er door partijen nadere producties ingebracht en hebben zij antwoordconclusies genomen.
2.3.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] is geslaagd in de bewijsopdracht. Door de in het vonnis van 22 januari 2025 beschreven nauwe verwevenheid tussen de eenmanszaak en de coöperatie, in combinatie met het handelen van [gedaagde sub 1] zoals gebleken uit de getuigenverklaringen, is [eiseres] afgegaan en mocht zij afgaan op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en kan deze schijn aan [gedaagde sub 1] worden toegerekend.
De getuigenverklaringen aan de zijde van [eiseres]
2.4.
[E] , voormalig werknemer van [eiseres] , heeft verklaard dat hij “ [naam] ” destijds heeft benaderd via koude acquisitie. Hij heeft toen het vaste nummer gebeld dat op het Google bedrijfsprofiel stond. Hij kreeg toen iemand aan de lijn, maar weet niet meer wie dat was. In dat gesprek is hij doorverwezen naar [A] . Toen [E] de bedrijfsgegevens nodig had voor de verdere samenwerking/het contract, wilde hij [A] bellen, maar die kreeg hij niet te pakken. [E] heeft verklaard dat hij toen weer het vaste nummer heeft gebeld en iemand aan de lijn kreeg die zich voorstelde als ‘ [gedaagde sub 1] .’ [E] verklaart dat hij zeker weet dat er werd gezegd ‘ [gedaagde sub 1] ’ en niet ‘ [naam] ’. Volgens [E] reageerde de persoon alsof hij directeur of eigenaar was. Bij de vraag over de bedrijfsgegevens, werd hij verwezen naar [A] .
2.5.
[C] , administratief medewerker bij [eiseres] , heeft verklaard één keer telefonisch te hebben gesproken met [gedaagde sub 1] . [C] kreeg van de verkoopafdeling door dat er een nieuwe klant was. Nadat de e-mail van [A] met het KvK-nummer van de eenmanszaak aan hem was doorgestuurd, heeft hij een achtergrondcheck gedaan. [C] heeft verklaard dat hij heeft gecontroleerd of [A] bevoegd was, omdat het de eenmanszaak van [gedaagde sub 1] betrof. Dat heeft hij gedaan door naar het doorgegeven vaste telefoonnummer te bellen. Vervolgens kreeg hij [gedaagde sub 1] aan de telefoon. [C] heeft verklaard dat hij dat wist, omdat hij zich voorstelde als [gedaagde sub 1] . Hij heeft toen gevraagd of [A] tekenbevoegd was. [C] heeft verklaard dat dat werd bevestigd.
2.6.
[B] , directeur van [eiseres] , heeft verklaard één keer telefonisch gesproken te hebben met [gedaagde sub 1] . Zij heeft verklaard dat zij niet vaak zelf contact heeft met klanten, maar dat zij wel eens contact heeft met grote klanten om hen te bedanken voor de opdracht. Dat is hier ook gebeurd. Ze heeft verklaard dat ze niet meer weet wie haar heeft doorverbonden, maar dat ze op een gegeven moment [gedaagde sub 1] aan de telefoon kreeg. Zo had hij zich aan de telefoon voorgesteld. [B] heeft in dat gesprek verwezen naar de accountmanager van [eiseres] voor als er problemen zouden zijn. Daarop zou [gedaagde sub 1] hebben aangegeven dat dit ook voor hem gold. Hij gaf aan dat er twee medewerkers waren die dit project leidden, maar dat hij bereikbaar was bij problemen.
2.7.
[D] , voormalig administratief medewerker bij [eiseres] , heeft verklaard [gedaagde sub 1] meerdere keren te hebben gesproken. Omdat zij akkoord moest krijgen voor de uren van het bouwpersoneel, heeft zij het algemene nummer van [naam] , het vaste nummer, gebeld. Zij heeft verklaard vijf keer met [gedaagde sub 1] hebben gesproken. Hij stelde zich dan voor als [gedaagde sub 1] . [D] vroeg dan of de uren akkoord waren en of dat schriftelijk bevestigd kon worden. Daarop zou [gedaagde sub 1] hebben geantwoord dat hij dat zou regelen of ervoor zou zorgen.
Waardering van het bewijs
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] gelet op de afgelegde getuigenverklaringen is geslaagd in haar bewijsopdracht. Vier (voormalig) medewerkers van [eiseres] hebben verklaard dat zij in het kader van het sluiten dan wel de uitvoering van de raamovereenkomst telefonisch hebben gesproken met [gedaagde sub 1] waarbij [gedaagde sub 1] heeft verwezen naar [A] . Hoewel [gedaagde sub 1] in zijn getuigenverklaring ontkent dat hij inhoudelijke gesprekken heeft gevoerd met [eiseres] (waaronder dat hem expliciet naar de bevoegdheid van [A] is gevraagd en/of het bedankgesprek waarover [B] heeft verklaard), erkent [gedaagde sub 1] wel dat het vaste nummer waar [eiseres] meerdere keren naar gebeld heeft (ook) was doorgeschakeld naar zijn mobiele telefoonnummer. [gedaagde sub 1] ontkent dan ook niet dat het mogelijk is dat hij telefoongesprekken van [eiseres] heeft opgenomen en daarbij heeft verwezen naar [A] . Ook [A] heeft als getuige verklaard dat [gedaagde sub 1] wel eens tegen hem heeft gezegd dat [eiseres] had gebeld.
2.9.
Zoals al in het tussenvonnis is overwogen maakte [A] gebruik van een e-mailadres dat eindigde op de extensie @ [naam] .nl, welke extensie ook werd gebruikt door de eenmanszaak van [gedaagde sub 1] (en ook op het KvK uittreksel van de eenmanszaak staat vermeld). Hieruit kon en mocht [eiseres] afgeleiden dat [A] in dienst dan wel in opdracht van [gedaagde sub 1] werkte. Het vaste nummer waarop [eiseres] contact opnam, stond op facebook nog altijd geregistreerd als telefoonnummer van de eenmanszaak. Doordat [gedaagde sub 1] een aantal van deze telefoongesprekken heeft opgenomen en [eiseres] daarin heeft doorverwezen naar [A] , heeft [gedaagde sub 1] er ook voor gezorgd dat bij [eiseres] de schijn is ontstaan dat [A] bevoegd was [gedaagde sub 1] te vertegenwoordigen.
2.10.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat [gedaagde sub 1] in zijn verhouding tot [eiseres] het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt. [gedaagde sub 1] heeft namelijk door het verlenen van een licentie aan de coöperatie om de handelsnaam, het logo, het merk en de goodwill van de eenmanszaak te gebruiken, voor een grote verwevenheid tussen de ondernemingen gezorgd. Het had dan ook op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen (als eigenaar van de eenmanszaak maar ook als bestuurder van de coöperatie) om ervoor zorg te dragen dat het voor derden duidelijk was dat er twee te onderscheiden ondernemingen bestonden. Zo had [gedaagde sub 1] moeten regelen dat het vaste nummer niet langer doorschakelde naar zijn mobiele telefoonnummer en dat dit nummer op de facebookpagina niet langer werd vermeld als telefoonnummer van de eenmanszaak. In plaats daarvan heeft [gedaagde sub 1] telefoongesprekken van dit vaste nummer beantwoord en daarbij verwezen naar [A] zonder het onderscheid tussen de ondernemingen te expliciteren.
[gedaagde sub 1] moet de openstaande facturen betalen
2.11.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de eenmanszaak van [gedaagde sub 1] , door middel van schijn van volmachtverlening, gebonden is aan de raamovereenkomst van 15 maart 2023. De primaire vordering van [eiseres] wordt daarom toegewezen. De coöperatie is niet gebonden aan de overeenkomst en wordt daarom niet veroordeeld in de betaling.
2.12.
[eiseres] heeft de openstaande facturen overgelegd. De facturen, en de hoogte ervan, zijn niet betwist. De gevorderde bedragen worden daarom toegewezen, met een totaal van € 92.752,62. De gevorderde wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over de bedragen wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Factuurnummer en datum
(restant) Bedrag
Vervaldatum
23000235 van 14-05-2023
€ 1.591,20
13-06-2023
23000247 van 21-05-2023
€ 2.170,56
20-06-2023
23000259 van 21-05-2023
€ 1.240,32
20-06-2023
23000260 van 28-05-2023
€ 3.410,88
27-06-2023
23000271 van 04-06-2023
€ 3.740,34
04-07-2023
23000282 van 11-06-2023
€ 4.651,20
11-07-2023
23000294 van 18-06-2023
€ 4.651,20
11-07-2023
23000317 van 25-06-2023
€ 4.651,20
25-07-2023
23000318 van 02-07-2023
€ 1.550,40
01-08-2023
23000330 van 02-07-2023
€ 8.682,24
01-08-2023
23000371 van 16-07-2023
€ 10.794,66
15-08-2023
23000372 van 16-07-2023
€ 10.503,96
15-08-2023
23000378 van 16-07-2023
€ 620,16
15-08-2023
23000395 van 23-07-2023
€ 7.325,64
22-08-2023
23000402 van 28-07-2023
€ 1.550,40
27-08-2023
23000416 van 30-07-2023
€ 9.203,40
29-08-2023
23000429 van 11-08-2023
€ 9.205,50
10-09-2023
23000435 van 14-08-2023
€ 7.209,36
13-09-2023
[gedaagde sub 1] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.13.
[eiseres] heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Op grond van artikel 6:96 BW Pro en het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van
€ 1.619,73 toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde sub 1] moet de beslagkosten betalen
2.14.
[eiseres] heeft vergoeding van beslagkosten gevorderd. Deze vordering is gelet op artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.959,01. Dat bestaat uit het griffierecht (€ 688,00), explootkosten (€ 880,73) en overbetekeningskosten
(€ 390,28). Daarnaast wordt er nog € 1.214,00 toegewezen voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.214,00). Totaal wordt daarom € 3.173,01 toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde sub 1] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
2.15.
[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
224,74
- griffierecht
2.201,00
- salaris advocaat
4.856,00
(4 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.459,74
2.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Geen hoofdelijke veroordeling t.a.v. proceskosten, beslagkosten en BIK
2.17.
Omdat de vordering van [eiseres] alleen wordt toegewezen ten aanzien van [gedaagde sub 1] , bestaat er geen grond om de coöperatie hoofdelijk in de proceskosten, buitengerechtelijk incassokosten en beslagkosten te veroordelen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] een bedrag van € 92.752,62
te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, over de deelbedragen waaruit deze som bestaat vanaf de vervaldata die gelden voor die deelbedragen, zoals genoemd in 2.12, steeds tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] een bedrag van € 1.619,73 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 10 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de beslagkosten van € 3.173,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 7.459,74 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 3 december 2025.
5797

Voetnoten

1.Artikel 3:61 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).