In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen eiser en gedaagde, die een relatie met elkaar hebben gehad en samen een zoon van negen jaar hebben. Eiser vorderde een wijziging van de eerder vastgestelde begeleide omgangsregeling, die op 11 september 2025 door de rechtbank was vastgesteld. Eiser stelde dat de omgang begeleid moest worden door een specifieke organisatie, het Opstapje, en dat gedaagde daaraan moest meewerken. Gedaagde voerde verweer en stelde dat eiser niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld die de wijziging van de omgangsregeling rechtvaardigden. De rechtbank had in de eerdere beschikking enkel geoordeeld dat er begeleide omgang moest plaatsvinden, zonder te bepalen door welke organisatie. De voorzieningenrechter concludeerde dat de keuze voor de organisatie niet aan eiser was, en dat de eerder vastgestelde regeling niet gewijzigd kon worden op basis van de door eiser aangevoerde argumenten. De vorderingen van eiser werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten droeg. De voorzieningenrechter benadrukte het belang van het starten van de begeleide omgang en riep partijen op om geen problemen te maken waar die niet zijn.