Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:6266

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/6206
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen openbaarmaking inspectierapport met proceskostenveroordeling

De voorzieningenrechter van Rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 november 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 15 oktober 2025 tot openbaarmaking van een toezichtsrapport van de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Verzoekster maakte bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit en vorderde schorsing van het besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar, stellende dat het rapport feitelijke onjuistheden bevat. De minister verklaarde op 7 november 2025 dat het rapport en het besluit worden herzien, dat verzoekster gelegenheid krijgt te reageren op onjuistheden, en dat het openbaarmakingsbesluit zal worden ingetrokken en vervangen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat door deze toezegging het spoedeisend belang ontbreekt en het verzoek om voorlopige voorziening daarom kennelijk ongegrond is. De procedure wordt niet aangehouden vanwege het spoedeisende karakter van de voorlopige voorziening.

Wel veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoekster, omdat verzoekster de procedure moest starten om de herziening en opschorting te bewerkstelligen. De proceskosten bedragen €907,- plus het griffierecht van €385,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang, met veroordeling van de minister in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6206

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] ., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Duijzings),
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: E. van Diggele).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van 15 oktober 2025 tot openbaarmaking van een toezichtsrapport van de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend hangende de bezwaarprocedure.
3. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om het besluit van 15 oktober 2025 te schorsen tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt. Daarmee wil verzoekster voorkomen dat het rapport van de inspectie openbaar wordt gemaakt voordat op haar bezwaar is beslist. Volgens verzoekster bevat het rapport feitelijke onjuistheden.
4. De minister heeft op 7 november 2025 schriftelijk verklaard dat de inspectie bezig is het rapport en het besluit waartegen deze voorlopige voorziening is gevraagd, te herzien. Het herziene rapport zal naar verzoekster worden gestuurd en zij zal in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op feitelijke onjuistheden in de bevindingen. Eventuele onjuistheden zullen worden gecorrigeerd en vervolgens zal de inspectie het nieuwe rapport met verzoekster bespreken. Daarna zal het openbaarmakingsbesluit van 15 oktober 2025 worden ingetrokken en zal er een nieuw openbaarmakingsbesluit volgen.
5. De minister heeft hiermee de door verzoekster in de deze procedure gevraagde voorziening getroffen. De openbaarmaking van het rapport wordt immers opgeschort en de inhoud ervan wordt door de inspectie herzien. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar verzoek.
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om deze procedure aan te houden in afwachting van het herziene rapport en nog te nemen openbaarmakingsbesluit. Dit zou zich niet verhouden met het spoedeisende karakter van het rechtsmiddel van de voorlopige voorziening.
7. Ter voorlichting, merkt de rechtbank op dat als verzoekster het niet eens is met het herziene inspectierapport, zij tegen het daaropvolgende publicatiebesluit bezwaar kan maken en – indien nodig – opnieuw bij deze rechtbank vragen om een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
9. De rechtbank ziet wel aanleiding om de minister te veroordelen in proceskosten van verzoekster. Met de herziening van het inspectierapport en de opschorting van de publicatie daarvan is de minister aan het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegemoetgekomen. Verzoekster heeft deze procedure moeten starten om dat te bewerkstellingen.
10. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft één proceshandeling verricht die voor vergoeding in aanmerking komt, namelijk het indienen van een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907,- bedragen.
11. De minister moet ook het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.