ECLI:NL:RBMNE:2025:6260

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/2544
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen wijziging achternaam van dochter in achternaam moeder

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland het beroep van een vader tegen de wijziging van de achternaam van zijn dochter in de achternaam van haar moeder. De dochter, geboren op 20 oktober 2025, draagt momenteel de achternaam van haar vader. De moeder heeft een aanvraag ingediend om de achternaam van de dochter te wijzigen, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is ingewilligd. De vader is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep aangetekend. Tijdens de zitting op 31 oktober 2025 zijn de betrokken partijen, inclusief de gemachtigden, aanwezig geweest. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dochter bij haar moeder woont en al een jaar de achternaam van haar moeder gebruikt. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris alle belangen goed heeft afgewogen en dat de wijziging van de achternaam in het belang van het kind is. De rechtbank concludeert dat het beroep van de vader ongegrond is, wat betekent dat de dochter de achternaam van haar moeder zal krijgen. De vader krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2544
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser/vader

(gemachtigde: mr. M. van Harskamp),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [de moeder] , uit [plaats 2] , de moeder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de wijziging van de achternaam van zijn dochter [dochter] . Zij draagt nu de achternaam van eiser, haar vader. Derde-partij, de moeder van [dochter] , heeft een aanvraag ingediend om de achternaam van [dochter] te wijzigen in haar achternaam.
Deze aanvraag is door de staatssecretaris bij besluit van 20 december 2024 ingewilligd. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij zijn besluit gebleven.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, derde-partij en haar gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

[dochter] is op 20 oktober 2025 geboren. Bij haar geboorte kreeg zij de achternaam van haar vader, eiser. De moeder heeft een aanvraag ingediend om de achternaam van [dochter] te wijzigen in haar achternaam. Deze aanvraag is ingewilligd en daar is eiser het niet mee eens. Hij wil dat [dochter] zijn achternaam houdt.
Om tot wijziging van iemands achternaam te kunnen besluiten, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Deze voorwaarden staan in artikel 3 van het Besluit geslachtsnaamswijziging. Partijen zijn het erover eens dat aan de voorwaarden voor wijziging van de achternaam is voldaan. Deze uitspraak hoeft daarover dan ook niet te gaan.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar het rapport van [A] van 14 april 2025 “Richting een toekomstbestendig Besluit: Doorlichting van het Besluit Geslachtsnaamwijziging”, maar dit is te laat. De rechtbank betrekt dit daarom niet bij haar oordeel. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat dit rapport bevestigt wat in de beroepsgronden is gesteld. Die beroepsgronden neemt de rechtbank mee in de beoordeling.
De staatssecretaris heeft een belangenafweging gemaakt en geoordeeld dat het in het belang van [dochter] is om haar achternaam te wijzigen. De rechtbank is het hiermee eens. In de uitspraak van 16 juli 2025 [1] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat er, gelet op de bedoeling van de regeling, vanuit gegaan wordt dat het in het belang van het kind is dat het de naam draagt van degene met wie zij een bestendige gezinssituatie heeft, als niet of nauwelijks in gezinsverband met het kind is samengeleefd door de ouder van wie het kind de naam draagt, behalve als er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Die aanwijzingen zijn er in dit geval niet.
5. [dochter] woont bij haar moeder en heeft geen contact met haar vader. Hoe dit zo gekomen is, speelt hier geen rol. De naamswijziging is ook niet van invloed op eventueel toekomstig contact. Dat staat los van elkaar. Verder gebruikt [dochter] zelf al een jaar de achternaam van haar moeder en vraagt zij anderen om dat ook te doen. Ook is van belang dat [dochter] weet wie haar vader is. Eiser heeft nog aangevoerd dat [dochter] in de toekomst mogelijk spijt krijgt dat haar achternaam is gewijzigd, maar dat is nu geen reden om de naamswijziging niet in haar belang te achten. Als [dochter] spijt krijgt en de naam van haar vader weer zou willen dragen, dan kan zij daarvoor een aanvraag indienen. Alles bij elkaar is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris alle belangen goed heeft afgewogen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [dochter] de achternaam van haar moeder krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.