ECLI:NL:RBMNE:2025:6237

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/5905 en UTR 25/5906
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetAfdeling 3.4 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik bij bouwplan nabij agrarisch bedrijf

Verzoekers, buren van het perceel waar een bouwplan is toegestaan, stelden beroep in tegen de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van oude schuren en het realiseren van drie vrijstaande woningen en twee woningen in een monument. Zij vreesden belemmering van hun agrarisch bedrijf door nabijheid van de nieuwe woningen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de aanvraag had moeten toetsen aan het geldende bestemmingsplan 'Tweede herziening bestemmingsplan Landelijk gebied', waarin maximaal zeven woningen zijn toegestaan. Het bouwplan met vijf nieuwe woningen past binnen dit bestemmingsplan, waardoor de vergunning voor planologisch strijdig gebruik ten onrechte is verleend.

De voorzieningenrechter vernietigde het besluit voor zover het de vergunning voor planologisch strijdig gebruik betreft, maar liet het overige besluit in stand. De voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep gegrond was en de vergunning in aangepaste vorm bleef gelden. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de vergunning voor planologisch strijdig gebruik wordt vernietigd, het overige besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/5905 en UTR 25/5906
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [plaats 1] , verzoekers

(gemachtigde: W. de Jong),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1]

(gemachtigde: mr. N. Brands).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] (de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleende omgevingsvergunning van 18 juli 2025 voor de activiteiten bouwen, strijdig gebruik en slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument. Het vergunde bouwplan omvat de sloop van de oude schuren en stallen, het realiseren van 3 vrijstaande woningen en het realiseren van 2 woningen in het bestaande monument op de locatie [adres] in [plaats 1] (het perceel).
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en [A] namens vergunninghouder, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was aanwezig: [B] , eigenaar van het perceel.
1.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt of het college terecht aan vergunninghouder de omgevingsvergunning heeft verleend.
3. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Formele beroepsgronden
4. Verzoekers voeren allereerst aan dat de beroepstermijn ten onrechte met 10 dagen is verkort, doordat de omgevingsvergunning te laat is gepubliceerd. De voorzieningenrechter kan verzoekers hierin niet volgen. De beroepstermijn van zes weken vangt aan de dag na bekendmaking van een besluit. Het college heeft de omgevingsvergunning volgens de daarvoor geldende regels bekendgemaakt aan door die ter inzage te leggen en daarvan mededeling te doen in het Gemeenteblad. Er is dus geen sprake van een kortere beroepstermijn. Dat verzoekers pas door de publicatie op de hoogte kwamen van de omgevingsvergunning en toen niet meer de volle zes weken voor beroep hadden, maakt niet dat het besluit onrechtmatig is. Overigens hebben verzoekers ruim op tijd beroep ingesteld, zodat zij van het tijdverloop tussen bekendmaking en publicatie geen nadeel hebben ondervonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Verzoekers voeren verder aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat zij de ruimtelijke onderbouwing en de omgevingsvergunning niet hebben ontvangen. De voorzieningenrechter kan verzoekers ook hierin niet volgen. Daargelaten dat deze stukken volgens het college wel aan verzoekers zijn toegezonden, is dit een omstandigheid die zich heeft voorgedaan ná het nemen van een besluit. Alleen daarom al kan dit niet tot de conclusie leiden dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke beroepsgronden
6. Verzoekers voeren aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de nabijheid van hun bedrijf, waarop zij schapen en rundvee houden. Zij vrezen door de nabijheid van de woningen op het perceel beperkingen te zullen ondervinden in hun bedrijfsvoering. Daarbij hebben zij met name het oog op eventuele geurhinder van hun schapen.
7. Het college en vergunninghouder stellen zich, onder verwijzing naar de notities milieuzonering van 5 februari 2025 en 23 april 2025, op het standpunt dat bij de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierin is, uitgaande van een actief agrarisch bedrijf van verzoekers, een geurcontour van 50 meter voor de schapen en 25 meter voor het rundvee aangehouden. De dichtstbijzijnde woning zal gebouwd worden op 60 meter afstand. Er is dus voldoende afstand waardoor de bedrijfsvoering op het perceel van verzoekers niet wordt belemmerd door het bouwplan.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college de aanvraag heeft getoetst aan het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Landelijk gebied’, dat op het perceel slechts twee (reeds aanwezige) woningen toelaat. Omdat het bouwplan voorziet in de realisering van vijf extra woningen, heeft het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was echter al het bestemmingsplan ‘Tweede herziening bestemmingsplan Landelijk gebied’ in werking getreden [2] . Volgens vaste rechtspraak [3] dient bij het nemen van een besluit op een aanvraag in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Dit betekent dat het college de aanvraag had moeten toetsen aan laatstgenoemde bestemmingsplan. In dat bestemmingsplan is op het perceel een maximum van zeven woningen toegestaan. Verder kent het perceel geen bouwvlak, zodat de woningen over het gehele perceel kunnen worden gebouwd. Het bouwplan, dat de realisatie van vijf woningen, in aanvulling op de reeds aanwezige twee woningen, inhoudt, past dus in dit bestemmingsplan. Ook voldoet het bouwplan aan de regels voor de goot- en bouwhoogte. Het college heeft dan ook ten onrechte de aanvraag tevens aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en voor die activiteit in het bestreden besluit ten onrechte een vergunning verleend. Nu geen sprake is van strijdigheid van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan, kon het college ook niet toekomen aan de toetsing van het bouwplan aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, dus ook niet aan de vraag of het bouwplan de bedrijfsvoering van verzoekers kan belemmeren. De afweging of de aanwezigheid van zeven woningen op het perceel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening wordt immers geacht te zijn gemaakt bij de totstandkoming van het bestemmingsplan.

Conclusie en gevolgen

9. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover daarbij vergunning is verleend voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’, vernietigd moet worden. Dit omdat dit helemaal niet nodig was. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand. Verzoekers hebben hier ook geen gronden tegen aangevoerd. Daarmee houdt vergunninghouder dus een omgevingsvergunning voor het bouwplan. Omdat in de beroepszaak wordt beslist dat de omgevingsvergunning in aangepaste vorm blijft gelden, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten van verzoekers. Deze bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- voor door derden verleende professionele rechtsbijstand (1 punt voor indienen van het beroepschrift (tevens verzoek om een voorlopige voorziening), 1 punt voor aanwezigheid op zitting). Ook moet het college het door verzoekers in de beroepszaak en de voorzieningenprocedure betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2025, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en laat dat besluit voor het overige in stand;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers ter hoogte van € 1.814,-;
- bepaalt dat het college aan verzoekers het betaalde griffierecht van (in totaal) € 388,- aan hen vergoedt;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer - de Bruin, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2619.