ECLI:NL:RBMNE:2025:6232

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
600655
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in het kader van ondertoezichtstelling van minderjarigen

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing door de gecertificeerde instelling (GI) De Jeugd & Gezinsbeschermers. De zaak betreft twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], die onder toezicht zijn gesteld. De GI had de schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder, waarin werd bepaald dat zij de kinderen alleen tijdens begeleide omgangsmomenten mocht zien. De moeder heeft op 6 oktober 2025 een verzoek ingediend om deze aanwijzing te bekrachtigen, omdat zij zich niet aan de afspraken zou houden. Tijdens de zitting op 4 november 2025 is de situatie besproken, waarbij de kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder zich inhoudelijk conformeert aan de gemaakte afspraken en dat er geen sprake is van ernstige overtredingen. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de GI te snel om bekrachtiging heeft verzocht en dat er onvoldoende bewijs is dat de moeder de aanwijzing structureel heeft overtreden. De kinderrechter heeft daarom de verzoeken van de GI afgewezen, met de overweging dat de huidige situatie geen acuut risico voor de kinderen met zich meebrengt en dat de aanwijzing zoals gegeven blijft gelden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600655 / JE RK 25/1511 (ten aanzien van [minderjarige 1] )
C/16/600649 / JE RK 25/1510 (ten aanzien van [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
De Jeugd & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Krol.
[(stief)vader] ,
hierna te noemen de (stief)vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 6 oktober 2025, met bijlagen, ontvangen op 7 oktober 2025;
  • de brief van de GI van 30 september 2025, ter aanvulling op de schriftelijke aanwijzing, ontvangen op 7 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de (stief)vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] , een vertegenwoordiger van de GI.
Aan het begin van de zitting is met de stiefvader gesproken en is besloten dat de stiefvader in deze procedure geen belanghebbende is, omdat de schriftelijke aanwijzing alleen aan de moeder gericht is. De stiefvader heeft daarop de zaal verlaten.
1.3.
De kinderrechter heeft aan de minderjarige [minderjarige 2] gevraagd wat hij van het verzoek vindt. [minderjarige 2] heeft daarop op 30 oktober met de kinderrechter gepraat. De kinderrechter heeft zijn mening tijdens de mondelinge behandeling samengevat weergegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft niet met [minderjarige 1] gesproken. De kinderrechter vindt [minderjarige 1] daar nog te jong voor.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . De moeder en de (stief)vader hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd tot 2 juli 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (bij de vader) en [minderjarige 2] (bij de stiefvader) verlengd tot 2 januari 2026.
2.4.
De GI heeft op 30 september 2025 de volgende schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven betreffende de omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] :
“Om ervoor zorg te dragen dat DJGB haar taak uit kan voeren vragen wij u dan ook om mee te werken aan de begeleide omgangsmomenten bij Konfia zoals afgesproken met Konfia.
  • U ziet [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alleen tijdens deze begeleide omgangsmomenten bij Konfia en niet hierbuiten, hier zijn geen uitzonderingen op.
  • In december zal worden geëvalueerd of de omgang uitgebreid/aangepast dient te worden.
  • Er is telefonisch contact tussen u en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zoals afgesproken tijdens het Netwerkberaad.
Namelijk:
  • Op dinsdag zal Konfia de belmomenten tussen moeder en [minderjarige 1] begeleiden/inbellen via Whatsapp om dit gesprek (waar nodig) te begeleiden.
  • Daarnaast is overeen gekomen dat [minderjarige 2] op zondag (wanneer hij bij [B] is) ook zijn moeder mag bellen.”

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging door de kinderrechter van de schriftelijke aanwijzingen ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van de verzoeken gesteld dat de moeder zich niet houdt aan de gemaakte afspraken. De moeder zou haar eigen koers varen en zich niet bewust zijn van de ernst van de situatie en het effect dat haar gedrag heeft op de kinderen.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1.
De GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling geeft de GI bepaalde bevoegdheden. Tegelijkertijd brengt de maatregel
verplichtingen voor de ouders met gezag mee, want een ondertoezichtstelling beperkt het
gezag van de ouders. Als een ouder met gezag niet wil meewerken aan de (uitvoering van
de) ondertoezichtstelling kan de GI die ouder een schriftelijke aanwijzing geven. [1]
4.2.
Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de
zin van de wet. [2] Bij de beoordeling van dit verzoek dient de kinderrechter te beoordelen of
het besluit van de GI volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht en de
ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Dit
betekent dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en voldoende moet zijn
gemotiveerd. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de omstandigheden die gelden op het
moment van het nemen van de beslissing. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de
ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht. De
kinderrechter kan de aanwijzing vervolgens slechts marginaal toetsen.
Wat beslist de kinderrechter?
4.3.
De kinderrechter wijst de verzoeken van de GI af. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
4.4.
De kinderrechter stelt voorop dat een schriftelijke aanwijzing een ingrijpend middel is dat bedoeld is om in het kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijke duidelijkheid en structuur te bieden, wanneer ouders niet of onvoldoende meewerken aan gemaakte afspraken. Voor bekrachtiging is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de aanwijzing nodig was én dat de GI de aanwijzing zorgvuldig heeft voorbereid, tijdig heeft aangekondigd en proportioneel heeft ingezet. Tevens moet duidelijk zijn dat de ouder niet of onvoldoende uitvoering geeft aan de gemaakte afspraken, zodat een bekrachtiging noodzakelijk is om het doel van de aanwijzing te bereiken.
5.5. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, leidt de kinderrechter af dat de moeder zich inhoudelijk conformeert aan de afspraken die in het netwerkberaad en door Konfia zijn gemaakt over de omgang en over het contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De moeder heeft verklaard dat zij deze afspraken onderschrijft en dat zij bereid is deze na te komen. De kinderrechter constateert dat ook de GI ter zitting heeft aangegeven dat er geen sprake is geweest van ernstige of structurele overtredingen, maar dat zij vooral ervaart dat de moeder ‘ruimte zoekt’ en soms vragen stelt of mogelijkheden verkent rondom contactmomenten. Het stellen van vragen of het bespreken van haar wensen levert echter op zichzelf geen schending van de aanwijzing op en vormt daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om over te gaan tot bekrachtiging.
4.5.
Daarnaast is van belang dat de GI op 30 september 2025 de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven en al op 6 oktober 2025, dus binnen een week, de rechtbank heeft verzocht om bekrachtiging van deze aanwijzing. Een GI moet een ouder een reële termijn bieden om de aanwijzing na te komen, voordat bekrachtiging kan worden verzocht. Daarvan is in dit geval geen sprake. De kinderrechter is van oordeel dat het bekrachtigingsverzoek te voorbarig is ingediend en dat niet is gebleken dat de GI in de tussenliggende periode heeft beoordeeld of moeder de aanwijzing daadwerkelijk al dan niet naleefde.
4.6.
De kinderrechter weegt verder mee dat de communicatie tussen de GI en de moeder rondom de uitvoering van de omgang -waaronder de belmomenten- niet altijd goed is verlopen, maar dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat deze problemen niet alleen aan moeder kunnen worden toegerekend. Dat belmomenten tussen de moeder en de kinderen niet tot stand kwamen, hing meermaals samen met omstandigheden aan de zijde van de vader of de hulpverlening. Deze omstandigheden kunnen de moeder niet volledig worden verweten en vormen om die reden evenmin grond voor bekrachtiging. Van een situatie waarin de moeder afspraken structureel zou frustreren of de uitvoering van de ondertoezichtstelling zou belemmeren, is niet gebleken.
4.7.
Ten overvloede neemt de kinderrechter in aanmerking dat de GI ter zitting heeft benadrukt dat er geen sprake is van een dreiging van gezagsbeëindiging, en dat moeder op dit moment goed benaderbaar is voor hulpverlening en de GI. De moeder heeft openlijk erkend dat zij emotioneel belast is, maar zij toont tegelijkertijd inzicht in haar eigen situatie en geeft blijk van bereidheid tot samenwerking. De kinderrechter acht het aannemelijk dat juist duidelijke communicatie en een vast aanspreekpunt voor de moeder van belang zijn voor verdere stabiliteit. Het bekrachtigen van de schriftelijke aanwijzing draagt daaraan op dit moment niet meer bij dan de aanwijzing zelf.
4.8.
Gelet op het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat niet is aangetoond dat moeder de aanwijzing (structureel) heeft overtreden of niet wenst na te leven, en dat bekrachtiging op dit moment niet noodzakelijk en proportioneel is om het doel van de ondertoezichtstelling, namelijk het bieden van duidelijkheid en stabiliteit voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , te bereiken. De kinderen lijken op dit moment goed in hun vel te zitten. Daarmee bestaat er geen acuut risico voor de kinderen. De aanwijzing zoals gegeven op 30 september 2025 blijft uiteraard gelden, maar een bekrachtiging daarvan is onder de huidige omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst de verzoeken van de GI af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025, in aanwezigheid van mr. C. A. Lammertink als griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:263 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht.