ECLI:NL:RBMNE:2025:6208

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/16/601331 / KL ZA 25-264
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis verkrijgende verjaring strook grond

Stadsherstel Amsterdam N.V. heeft in kort geding verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis van 16 juli 2025, waarin zij was veroordeeld om mee te werken aan de aanpassing van kadastrale gegevens van een strook grond. De rechtbank had geoordeeld dat gedaagde door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van deze strook grond, die sinds 6 januari 1995 in bezit is van gedaagde.

Stadsherstel stelde dat sprake was van een kennelijke misslag in het vonnis en dat de belangenafweging in haar voordeel moest uitvallen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen kennelijke misslag was, omdat het interversieverbod en andere bezwaren reeds in de bodemprocedure aan de orde waren gekomen en gemotiveerd zijn afgewezen. Ook werd verduidelijkt dat de verplichting tot medewerking slechts ziet op een administratieve aanpassing in het kadaster, niet op daadwerkelijke levering.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van gedaagde bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van Stadsherstel bij behoud van de bestaande toestand gedurende het hoger beroep. Stadsherstel kon niet aannemelijk maken dat onomkeerbare schade zou ontstaan. De vordering tot schorsing werd daarom afgewezen en Stadsherstel werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van Stadsherstel tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/601331 / KL ZA 25-264
Vonnis in kort geding van 18 november 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
STADSHERSTEL AMSTERDAM N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. H.M. Kabir te Amsterdam,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagde c.s] ,
advocaat mr. M. Meijer te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van Stadsherstel van 23 oktober 2025, met 2 producties;
- de door [gedaagde c.s] ingediende producties 1 en 2.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Namens Stadsherstel is de heer [A] , adjunct directeur, verschenen, bijgestaan door mr. Kabir. Voor [gedaagde c.s] is mr. Meijer verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. De advocaat van [gedaagde c.s] heeft het standpunt van zijn cliënten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is partijen meegedeeld dat op 18 november 2025 uitspraak zal worden gedaan.

2.Wat is de kern van de zaak?

2.1.
[gedaagde c.s] beschikt over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van deze rechtbank van 16 juli 2025. In dat vonnis is Stadsherstel veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening haar medewerking te verlenen aan het aanpassen van de kadastrale gegevens, door levering bij notariële akte, van een strook grond. Reden daarvoor was dat de rechtbank had overwogen dat [gedaagde c.s] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van een strook grond, die vanaf 6 januari 1995 bij [gedaagde c.s] in bezit is. In deze procedure stelt Stadsherstel dat in dat vonnis sprake is van een kennelijke misslag. Daarnaast vindt ze dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitpakken. Net zoals [gedaagde c.s] is de voorzieningenrechter dat niet met Stadsherstel eens. De vordering van Stadsherstel om de tenuitvoerlegging te schorsen en [gedaagde c.s] te verbieden dwangsommen te incasseren zal daarom worden afgewezen.

3.De beoordeling

Stadsherstel heeft een spoedeisend belang
3.1.
Het gaat hier om een executiegeschil, als bedoeld in artikel 438 Rv Pro. Met de aard van de gevorderde voorziening is het spoedeisend belang van Stadsherstel bij haar vordering gegeven.
Beoordelingskader schorsing tenuitvoerlegging
3.2.
In dit kort geding ligt de vraag voor of er voldoende grond bestaat om over te gaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Bij de beantwoording van die vraag wordt vooropgesteld dat de rechtbank het vonnis van 16 juli 2025 uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Dat betekent dat het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en de uitkomst van het ingestelde hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is, anders dan [gedaagde c.s] stelt, niet gemotiveerd. Weliswaar heeft Stadsherstel in haar conclusie van antwoord in de bodemzaak belangen naar voren gebracht, maar die belangen zijn door deze rechtbank niet expliciet in het vonnis betrokken.
3.3.
De voorzieningenrechter moet dus onderzoeken of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van Stadsherstel bij behoud van de bestaande toestand - zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist - zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde c.s] bij de uitvoerbaarheid van de veroordeling (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende hoger beroep blijft buiten beschouwing. In de oordeelsvorming kan wel worden betrokken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijk (feitelijke of juridische) misslag.
Geen kennelijke misslag in het vonnis van 16 juli 2025
3.4.
Volgens Stadsherstel is sprake van een kennelijke misslag, omdat in het vonnis geen rekening is gehouden met de rechtspositie van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde c.s] . In het verleden was deze huurder (en daarom slechts houder) van de betreffende strook grond en kon daarom nooit bezitter worden, op grond van het zogenaamde interversieverbod. Stadsherstel heeft daarom ook hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter ziet hierin geen kennelijke misslag.
3.5.
Stadsherstel heeft dit standpunt namelijk in de eerdere procedure ook al ingenomen en in het vonnis van 16 juli 2025 is gemotiveerd waarom de rechtbank het standpunt van Stadsherstel niet heeft gevolgd. Er is verder uitvoerig toegelicht dat wat Stadsherstel naar voren heeft gebracht over het interversieverbod op zich juist is, maar dat de situatie, zoals Stadsherstel deze schetst, niet van toepassing is op de feitelijke verhoudingen tussen Stadsherstel en [gedaagde c.s] . De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het niet uitmaakt of de rechtsvoorganger van [gedaagde c.s] op enig moment (ook) huurder was van het betreffende perceel. Dat oordeel is uitvoerig en duidelijk gemotiveerd. Stadsherstel is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank, maar die discussie zal verder moeten plaatsvinden in het hoger beroep. Het maakt niet dat er sprake is van een kennelijke (of juridische) misslag in het bestreden vonnis.
3.6.
Stadsherstel heeft verder nog gesteld dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis omdat in het dictum wordt gesproken van een verplichting van Stadsherstel om mee te werken aan levering. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [gedaagde c.s] eigenaar is geworden van de betreffende strook grond, wat impliceert dat Stadsherstel niet de eigenaar is. Zij kan dan ook niet meewerken aan de levering van een zaak, waarvan zij niet de rechthebbende is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde c.s] verklaard dat levering inderdaad niet aan de orde is en dat de medewerking van Stadsherstel alleen ziet op de aanpassing van de inschrijving in het kadaster en dit betreft een administratieve handeling. Er zullen dan ook geen dwangsommen worden verbeurd ten aanzien van de verplichting tot meewerken aan de levering, waar inderdaad abusievelijk van wordt gesproken. Het vonnis berust in die zin ook niet op een kennelijke misslag en kan ook geen aanleiding geven tot misverstanden, gelet op de uitleg die [gedaagde c.s] heeft gegeven.
Belangenafweging pakt niet in het voordeel van Stadsherstel uit
3.7.
Stadsherstel stelt verder dat zij een groot nadeel lijdt dat niet meer eenvoudig kan worden teruggedraaid als ze op basis van het vonnis van 16 juli 2025 wordt gedwongen haar medewerking te verlenen aan een administratieve aanpassing en het hof later in hoger beroep anders beslist. Het belang om de bestande toestand gedurende het hoger beroep te behouden weegt volgens Stadsherstel daarom zwaarder dan het belang van [gedaagde c.s] .
3.8.
Dit is de voorzieningenrechter niet met Stadsherstel eens. Bij de beoordeling van een executiegeschil als het onderhavige is het uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis alleen plaats is als [gedaagde c.s] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat is niet het geval. [gedaagde c.s] heeft namelijk een rechtmatig verkregen titel en recht op onverwijlde nakoming zodat haar eigendom niet langer gefrustreerd wordt door Stadsherstel en [gedaagde c.s] vrijelijk kan beschikken over haar grond. Daarbij heeft Stadsherstel niet onderbouwd van welke onomkeerbare gevolgen sprake zou kunnen zijn. Voor het geval Stadsherstel doelt op een vervreemding of verzwaring van de grond, dan geldt dat als daar sprake van zou zijn, er oplossingen denkbaar zijn (zoals het aanspraak maken op een schadevergoeding).
3.9.
Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat het belang van [gedaagde c.s] bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van Stadsherstel bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door Stadsherstel ingestelde hoger beroep is beslist. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Stadsherstel zal worden afgewezen.
Proceskosten
3.10.
Stadsherstel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde c.s] betalen. Dat is een bedrag van € 1.999,00. Dit bedrag bestaat uit € 714,00 aan griffierecht, € 1.107,00 aan salaris advocaat en € 178,00 aan nakosten, plus de verhoging, zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt Stadsherstel in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Stadsherstel niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
4510