ECLI:NL:RBMNE:2025:6107

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11897174 \ MV EXPL 25-164 BW 31650
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding met verstek, grotendeels toegewezen

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een eisende partij, die als schoonmaker voor B.M.N. B.V. heeft gewerkt, en de gedaagde partij, B.M.N. B.V., die niet op de zitting is verschenen. De eisende partij vorderde betaling van achterstallig loon, vakantiedagen, wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de eisende partij sinds september 2024 zijn loon niet volledig heeft ontvangen en dat er een spoedeisend belang is bij de vorderingen. Aangezien B.M.N. niet verschenen was, werd verstek verleend en werden de vorderingen van de eisende partij grotendeels toegewezen. De kantonrechter heeft de bedragen aan achterstallig loon, wettelijke verhoging en vakantiedagen vastgesteld, en ook de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de eisende partij direct kan overgaan tot uitvoering van het vonnis, ongeacht een eventueel hoger beroep van B.M.N.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11897174 \ MV EXPL 25-164 BW 31650
Kort geding verstekvonnis van 13 november 2025
in de zaak van
[eisende partij],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
procederend op basis van een toevoeging: nr. […] ,
gemachtigde: mr. F.T. Zoutberg,
tegen
B.M.N. B.V.,
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BMN,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de betekende dagvaarding van 3 oktober 2025,
- het uitstelverzoek namens BMN van 23 oktober 2025,
-de correspondentie van partijen en de rechtbank over het uitstelverzoek van BMN,
-de e-mail van de rechtbank van 28 oktober 2025 waarin het uitstelverzoek wordt afgewezen,
-de e-mail namens BMN van 28 oktober 2025 waarin wordt meegedeeld dat BNM niet op de mondelinge behandeling zal verschijnen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Almere. [eisende partij] is verschenen (in bijzijn van een tolk en zijn casemanager van het COA), bijgestaan door mr. Zoutberg.
Namens BMN is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. De gemachtigde van [eisende partij] heeft het standpunt van [eisende partij] nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk 13 november 2025 uitspraak zal worden gedaan.

2.Wat is de kern?

2.1.
[eisende partij] heeft voor BMN gewerkt als schoonmaker over de periode van
22 september 2024 tot en met augustus 2025. [eisende partij] zegt dat hij niet zijn volledige loon heeft ontvangen, ondanks dat hij hier herhaaldelijk om heeft gevraagd. [eisende partij] vraagt in deze procedure om betaling van achterstallig loon, opgebouwde vakantiedagen, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en vraagt om veroordeling van BMN in de proceskosten. BMN heeft geen verweer gevoerd.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eisende partij] grotendeels toewijzen en legt dat hierna uit.

3.De beoordeling

Aan BMN wordt verstek verleend
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat BMN zich wel in de procedure heeft gemeld, maar desondanks niet op de zitting is verschenen. Omdat BMN correct voor de zitting is opgeroepen en ook de overige bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen BMN verstek verleend.
3.2.
Omdat aan BMN verstek is verleend, worden de vorderingen van [eisende partij] toegewezen, tenzij de kantonrechter de vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Wat moet de rechter beoordelen?
3.3.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De kantonrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waar een spoedeisend belang bij is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
[eisende partij] heeft een spoedeisend belang
3.4.
[eisende partij] heeft sinds september 2024 zijn loon niet (volledig) ontvangen. Een inkomen is essentieel voor levensonderhoud, daarom heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen.
Het achterstallige loon en de wettelijke verhoging moet worden betaald
3.5.
Omdat er geen verweer is gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eisende partij] , tenzij de vorderingen haar onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
3.6.
[eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn vorderingen nader toegelicht in de spreekaantekeningen. [eisende partij] heeft daarin ook hogere bedragen gevorderd dan in de dagvaarding. Omdat BMN niet is verschenen op de mondelinge behandeling en dus ook geen gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren tegen de in de spreekaantekeningen opgenomen gewijzigde bedragen, zal de kantonrechter zich beperken tot het beoordelen van de vorderingen zoals deze in de dagvaarding zijn opgenomen. Daarbij gaat zij uit van de juistheid van de omvang van de gewerkte uren zoals [eisende partij] die in de dagvaarding heeft opgenomen.
3.7.
De kantonrechter stelt vast dat het bedrag aan achterstallig loon dat in het petitum van de dagvaarding wordt gevorderd van € 20.822,00 bruto niet overeenkomt met de toelichting die in de dagvaarding onder punt 26 is gegeven. In die toelichting wordt namelijk een totaalbedrag aan achterstallig loon genoemd van € 15.266 bruto, waarbij ook een optelsom van het achterstallige loon over 2024 (€ 2.110,00) en 2025 (13.156,00) wordt genoemd. Deze tegenstrijdigheid heeft de kantonrechter tijdens de zitting ook besproken met de gemachtigde van [eisende partij] . De gemachtigde van [eisende partij] heeft toen niet kunnen uitleggen waarom € 20.822,00 bruto moet worden toegewezen. Omdat de kantonrechter niet kan vaststellen dat het juiste bedrag € 20.822,00 bruto had moeten zijn en dit ook niet volgt uit de berekeningen die [eisende partij] in de dagvaarding heeft gemaakt, neemt zij het bedrag van € 15.266,00 bruto als uitgangspunt. Uit de punten 6, 7 en 20 van de dagvaarding blijkt alleen dat ook die berekening niet juist is, omdat daarbij bruto- en nettobedragen door elkaar zijn gebruikt.
3.8.
[eisende partij] heeft nooit loonstroken ontvangen, zodat het bruto bedrag dat hoort bij de betaalde bedragen niet bekend is. Het is echter niet juist om netto bedragen in mindering te brengen op het bruto nog te betalen loon.
Uit de dagvaarding blijkt dat het bedrag dat volgens [eisende partij] over 2024 aan loon betaald had moeten worden € 5.490,00 bruto bedroeg. Er is een netto bedrag over 2024 betaald van € 3.380,00. Het bedrag dat de kantonrechter over 2024 kan toewijzen is daarom een bedrag van € 5.490,00 bruto waarop een bedrag van € 3.380,00 netto in mindering strekt.
Het bedrag aan loon dat over 2025 had moeten worden betaald bedroeg volgens [eisende partij]
€ 16.437,00 bruto. Op dat bedrag strekt een bedrag van € 3.191,00 netto in mindering.
Het totaal brutobedrag aan loon over 2024 en 2025 komt daarmee op € 21.927,00
(€ 5.490,00 + € 16.437,00), waarop een totaal nettobedrag van € 6.571,00 (€ 3.380,00 +
€ 3.191,00) in mindering strekt. De hoogte van dat bedrag kan de kantonrechter, gelet op de nettobedragen die op de bruto bedragen in mindering strekken, niet berekenen. BMN zal aan de hand van de hiervoor genoemde bedragen moeten berekenen (en daarvan bruto/netto specificaties moeten overleggen), wat het bruto bedrag is waar [eisende partij] nog recht op heeft.
BMN moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging betalen
3.9.
De wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het achterstallige loon zal ook worden toegewezen, omdat vaststaat dat BMN het loon te laat (en niet volledig) heeft betaald. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
De wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.
BMN moet ook de niet genoten vakantiedagen uitbetalen
3.10.
[eisende partij] zegt dat hij op grond van artikel 28 van de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: CAO) 10% vakantie-uren opbouwde over ieder gewerkt uur. Deze vordering komt de kantonrechter ook niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat over het achterstallige loon 10% aan vakantiedagenopbouw moet worden betaald door BMN. Ook voor deze vordering geldt dat de kantonrechter de hoogte van dat bedrag niet kan berekenen, gelet op de nettobedragen die nog op de bruto bedragen in mindering strekken. BMN zal moeten berekenen (en daarvan bruto/netto specificaties moeten overleggen), wat het bruto bedrag is waar [eisende partij] nog recht op heeft. Daarbij moet BMN uitgaan van de bedragen zoals onder rechtsoverweging 3.8. genoemd. Over het totaal bedrag aan bruto loon dat dan resteert, moet 10% worden gerekend voor de opgebouwde vakantiedagen.
De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.
De vakantietoeslag kan in deze procedure niet worden toegewezen
3.11.
De kantonrechter stelt vast dat in de toelichting van de dagvaarding ook een bedrag aan vakantietoeslag wordt genoemd waarop [eisende partij] recht zou hebben. Deze vordering ontbreekt in het petitum van de dagvaarding. Dat betekent dat de kantonrechter dit bedrag niet kan toewijzen, omdat het niet gevorderd is.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat BMN uiteraard wel vakantietoeslag moet betalen aan [eisende partij] , omdat dit uit de wet en de CAO volgt, maar in deze procedure kan dat bedrag niet worden toegewezen. Om een eventuele volgende procedure te voorkomen doet BMN er verstandig aan de vakantietoeslag vrijwillig te betalen.
BMN moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.12.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het bedrag dat [eisende partij] in het petitum van de dagvaarding vordert van € 1.108,00 inclusief btw overstijgt het in het besluit bepaalde tarief niet en zal daarom worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde termijn.
BMN moet de proceskosten betalen
3.13.
BMN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] procedeert op basis van een toevoeging, zal BMN niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.
De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
Totaal
768,00
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.14.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eisende partij] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren als BMN niet aan het vonnis voldoet. BMN kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van BMN om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eisende partij] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval het belang van [eisende partij] om zijn loon uitbetaald te krijgen en daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien zwaarder weegt dan het belang van BMN om dit loon in afwachting van de uitkomst van een eventueel hoger beroep nog niet te hoeven betalen. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt BMN om aan [eisende partij] te betalen een bedrag aan achterstallig loon van € 21.927,00 bruto waarop een bedrag van € 6.571,00 netto in mindering strekt (onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag, vanaf de respectievelijke verzuimdata, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt BMN om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige loon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de wettelijke verhoging, vanaf de dag van dagvaarding (3 oktober 2025), tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt BMN om aan [eisende partij] te betalen een bedrag aan niet genoten vakantiedagen van 10% over het achterstallige loon (onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van verzuim, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt BMN om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.108,00 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (3 oktober 2025), tot de dag van volledige betaling,
4.5.
veroordeelt BMN in de proceskosten van € 768,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.