ECLI:NL:RBMNE:2025:6067

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
16/322482.24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontploffing veroorzaakt door zwaar vuurwerk in woonwijk met levensgevaar en schade aan goederen

Op 11 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met twee anderen een ontploffing heeft veroorzaakt bij een woning. De ontploffing vond plaats op 3 september 2024 in een woonwijk, waarbij zwaar vuurwerk en flessen brandstof zijn gebruikt. De rechtbank oordeelt dat er gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel was te duchten. De verdachte, geboren in 2005, is veroordeeld tot een jeugddetentie van 240 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is er een contact- en locatieverbod opgelegd. De zaak is behandeld op een openbare zitting op 28 oktober 2025, waar de verdachte aanwezig was, evenals zijn advocaat, de officier van justitie en de advocaat van de benadeelde partijen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het feit heeft bekend en dat er voldoende bewijs is voor de beschuldiging. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn leeftijd en psychologische toestand, en heeft besloten het jeugdstrafrecht toe te passen. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, waarbij schadevergoeding is opgelegd aan de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/322482-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudig kamer van 11 november 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] (Egypte),
ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] ,
nu verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.De zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 28 oktober 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tegen de medeverdachten.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte, mr. R.A.E. Bunge;
  • de officier van justitie, mr. D.M.A. van der Zwan;
  • de advocaat van de benadeelde partijen, mr. S. Vermeulen.

2.De tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij (samengevat):
op 3 september 2024 in [plaats] , samen met anderen of alleen, een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning ( [adres 2] ), door zwaar vuurwerk (model Cobra) met daaraan bevestigd flessen brandstof bij die woning te plaatsen en tot ontploffing te brengen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. De verdachte heeft het feit bekend en uit het dossier blijkt dat door de ontploffing levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs dat de verdachte bij de ontploffing betrokken was. Hij heeft wel verzocht om bewezen te verklaren dat de ontploffing vóór en niet op de deur van de woning is geplaatst. Ook verzoekt hij de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het gedeelte dat de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Voor zover van belang worden de standpunten van de advocaat besproken onder paragraaf 3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd. Door of namens hem is niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In deze situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- het proces-verbaal van aangifte; [2]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • het proces-verbaal van forensisch onderzoek op het plaats delict.
Bewijsoverweging
De ontploffing is veroorzaakt met gebruik van meerdere stukken zwaar illegaal vuurwerk (minimaal twee Super Cobra’s 6) en meerdere flessen ontbrandbare brandstof. Deze werden bijeen gehouden door tape waarvan meerdere restanten zijn aangetroffen op de plaats delict. Vanaf het moment dat de lont wordt aangestoken, is het verbrandingsproces onomkeerbaar en zal de Super Cobra 6 circa 20 seconden later tot ontploffing komen. In deze tijd is er geen invloed op de omgeving meer uit te oefenen. De ‘vuurwerkbrandstofcombinatie’ (hierna: VBC) is voor de deur gelegd van een rijtjeshuis (een hoekwoning) in een woonwijk in [plaats] rond 05:00 uur ’s ochtends. Het ging dus om een tijdstip waarop de kans zeer groot is dat een deel van de bewoners van omliggende woningen thuis is. Het is ook een moment waarop passanten, bijvoorbeeld vroege vogels, op straat kunnen zijn. Met de kracht van een dergelijke VBC [4] is, gelet op de locatie (een hoekwoning in een woonwijk) en het tijdstip (in de vroege ochtend), gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Dit geldt ook als, zoals in dit geval, in de woning zelf niemand aanwezig is. Het vuur kan immers overslaan (dat heeft de brandweer voorkomen) of er kan iemand nieuwsgierig worden naar wat er plaatsvindt en nabij komen op het moment dat de medeverdachten de VBC aansteken. Bij de ontploffing was dus niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 03 september 2024 te [plaats]
tezamen en in vereniging met meer anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door
samengebonden stukken zwaar vuurwerk (model
Cobra) met hieraan bevestigde flessen brandbare stof te plaatsen
nabij de voordeur van de woning aan de [adres 2] te [plaats] en deze te
ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres 2]
te [plaats] ) en die de in die woning aanwezige goederen en de
naastgelegen/omringende woningen en de in die
naastgelegen/omringende woningen/ aanwezige goederen, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
te duchten was
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1
KwalificatieHet bewezenverklaarde feit levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
5.2
Strafbaarheid feit en verdachteEr zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte opheffen. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om het volwassenenstrafrecht toe te passen en de verdachte te veroordelen tot:
  • een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
  • een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaar, bestaande uit een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor [plaats] .
De officier van justitie eist dat het contact- en locatieverbod direct na de uitspraak van het vonnis ingaan.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verzocht om het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) toe te passen. Hiernaast heeft hij verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad en de strafoplegging in vergelijkbare zaken. Ten aanzien van het locatieverbod heeft de raadsman verzocht om te bepalen dat het locatieverbod niet geldt voor de snelwegen A2 en de A27.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
De ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning. Met behulp van zwaar vuurwerk en meerdere flessen brandstof hebben de verdachten, vroeg in de ochtend en midden in een woonwijk, een grote ontploffing teweeggebracht. Naast het feit dat de woning hierdoor is beschadigd, is door deze actie van de verdachte en medeverdachten een bijzonder gevaarlijke situatie ontstaan. Het is niet aan de verdachte te danken dat de ontploffing ‘slechts’ tot materiële schade en niet ook tot gewonden of zelfs doden heeft geleid. De rechtbank vindt het erg verontrustend dat de verdachten in opdracht van een of meer onbekend gebleven personen hebben gehandeld en tegen betaling van € 3000,- tot deze actie zijn overgegaan.
Uit de slachtofferverklaringen van meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] is naar voren gekomen hoe groot de gevolgen van de ontploffing voor de slachtoffers zijn geweest. Zij ervaren veel angst, stress, onzekerheid en ook de impact op hun sociale leven (ook in de wijk) is groot. Beide slachtoffers hebben psychologische hulp ingeschakeld om de traumatische gebeurtenis te verwerken. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij niet bij deze gevolgen voor de slachtoffers heeft stilgestaan en kennelijk alleen geïnteresseerd was in snel geld verdienen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het persoonlijkheidsonderzoek van 20 juni 2025, uitgebracht door C.M. Gourverneur (psychiater) en M.G.H. van Willigenburg (psycholoog). Uit deze rapportage blijkt dat de deskundigen tot verschillende conclusies zijn gekomen. Volgens de psychiater functioneert de verdachte op het grensgebied tussen zwakbegaafdheid en een lichte verstandelijke beperking. Er is hoogstens sprake van licht verminderde toerekenbaarheid. Daarnaast adviseert zij het ASR toe te passen en een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarentegen concludeert de psycholoog dat er sprake is van zwakbegaafdheid en dat er geen sprake is van een psychische stoornis. Het feit dient volledig te worden toegerekend aan verdachte. De psycholoog adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf zonder behandelkader op te leggen.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van een advies van de reclassering van 27 juni 2025, uitgebracht door [A] reclasseringswerker. Hieruit komt naar voren dat de reclassering bij de verdachte geen ernstig psychologisch disfunctioneren waarneemt. De reclassering ziet wel dat de verdachte erg beïnvloedbaar is en langdurig en structureel softdrugs gebruikt. De reclassering schat het risico op recidive als laag tot gemiddeld in en adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Dit omdat de verdachte zich goed handhaaft in de gevangenis voor volwassenen en geen baat lijkt te hebben bij interventies die alleen in het jeugdstrafrecht worden geboden. De reclassering adviseert om de verdachte een (deels voorwaardelijke) straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Het toezicht op deze voorwaarden kan plaatsvinden door de volwassenenreclassering. Zij hebben een speciale jongvolwassenenaanpak die goed aansluit op de persoon van de verdachte en het mogelijk maakt om zijn ouders bij de begeleiding te betrekken. De bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert zijn:
  • een meldplicht bij reclassering;
  • een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers;
  • inspanning voor het vinden en behouden van een dagbesteding bestaande in betaald werk, opleiding en/of stage;
  • actieve deelname aan de gedragsinterventie leefstijltraining;
  • meewerken aan controle op het gebruik van softdrugs;
  • een locatiegebod met elektronische monitoring (‘enkelband’).
Toepassing jeugdstrafrecht
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om verdachten tussen de 18 en de 23 jaar te berechten volgens het jeugdstrafrecht, als de rechtbank daar grond voor ziet in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank voldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank weegt hierbij mee dat de verdachte ten tijde van het feit [leeftijd] oud was en door de deskundigen wordt beschreven als iemand die op een zwakbegaafd tot licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. De verdachte is daarnaast erg vatbaar voor groepsdynamiek en beïnvloeding door anderen. Volgens de psychiater hebben de cognitieve beperkingen en een gebrek aan begeleiding tot een vertraging in de ontwikkeling van de verdachte geleid. Op de zitting benoemde de advocaat dat de verdachte door zijn moeder getypeerd wordt als ‘een jongen die groot lijkt, maar van binnen nog heel klein is.’ De rechtbank heeft deze indruk ook en denkt dat de verdachte erbij gebaat is om vanuit een jeugdkader begeleid te worden naar zijn volwassen leven. De rechtbank vindt het daarom positief dat de verdachte zijn betrokkenheid bij het feit heeft bekend en daarnaast heeft aangegeven dat hij geholpen wil worden en een opleiding wil volgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Toerekenbaarheid
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het feit (licht) verminderd aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte is volledig toerekeningsvatbaar.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Er is geen oriëntatiepunt voor dit specifieke type strafbare feit.
De rechtbank heeft daarom gelet op straffen die in vergelijkbare zaken aan minderjarigen worden opgelegd.
De rechtbank weegt mee dat er in deze zaak verschillende strafverzwarende omstandigheden aan de orde zijn. Zo vond de ontploffing plaats bij een woning en zijn er meerdere stukken zwaar vuurwerk en flessen brandstof gebruikt. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte met anderen heeft samengewerkt en dat hij in opdracht en tegen betaling heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het passend en nodig om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis (22 dagen) aanzienlijk overschrijdt. De op te leggen jeugddetentie zal ook een voorwaardelijk deel behelzen, met als doel om begeleiding van de verdachte mogelijk te maken en hem te ontmoedigen om zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende zal aan de verdachte een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden, behalve de contactverboden en het locatieverbod. Deze zullen namelijk apart worden opgelegd als maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte (zie hieronder). De rechtbank zal verder bepalen dat het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden in handen komt te liggen van de volwassenenreclassering zodat de verdachte kan worden begeleid volgens de speciale jongvolwassenenaanpak.
Oplegging contact- en locatieverbod
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank tevens een contact- en locatieverbod (‘38v-maatregel’) opleggen. De rechtbank zal bevelen dat de verdachte zich onthoudt van ieder contact met de slachtoffers en dat hij zich niet in [plaats] zal bevinden, met uitzondering van de A2 en de A27. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor de duur van drie jaren. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor de duur van twee weken worden toegepast. De rechtbank zal het contact- en locatieverbod ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

7.In beslag genomen voorwerpen

7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Uit de kennisgeving van inbeslagname blijkt dat het geldbedrag (ook) in beslag is genomen op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Er ligt dus conservatoir beslag op het geld. De rechtbank beslist op grond van artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering slechts op beslagen gelegd op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal derhalve hierop geen beslissing nemen.

8.Vorderingen benadeelde partij

8.1.
Voeging benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8398.28, bestaande uit € 898.28 materiële schade en € 7500,- immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Hij vordert daarbij de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8350.40, bestaande uit € 850.40 materiële schade en € 7500,- immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Zij vordert daarbij de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om beide vorderingen volledig toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade heeft de advocaat van de verdachte verzocht om de toekomstige kosten voor het eigen risico (€ 385,-) niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij verzocht om het gevraagde bedrag aanzienlijk te matigen.
8.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Beide benadeelde partijen vorderen materiële schade, bestaande uit de kosten voor het eigen risico van het afgelopen jaar en de reiskosten naar de psycholoog. Deze schadeposten zijn een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en zijn onderbouwd. Gelet hierop komen deze schadeposten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de gevorderde toekomstige schade (het eigen risico voor volgend jaar) echter niet-ontvankelijk verklaren. Deze schade is betwist door de advocaat van de verdachte en namens de benadeelde is onvoldoende onderbouwd dat het vaststaat dat deze kosten gemaakt zullen worden.
Het voorgaande betekent dat de materiële schade van benadeelde [slachtoffer 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 509.28. De materiële schade van benadeelde [slachtoffer 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 465.40. Het resterende deel van beide vorderingen, namelijk de toekomstige kosten van het eigen risico, zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Op grond van de wet komt immateriële schade onder meer voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij “op andere wijze is zijn persoon is aangetast” (artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek). Daarvan is in ieder geval sprake als iemand geestelijk letsel heeft opgelopen.
Uit de onderbouwing van de vorderingen blijkt dat beide benadeelde partijen PTSS hebben opgelopen en dat zij hiervoor onder behandeling zijn. Dit is geestelijk letsel. De rechtbank leidt uit de onderbouwing van beide vorderingen echter af dat het geestelijk letsel van de benadeelde partijen niet uitsluitend is veroorzaakt door de ontploffing, maar ook door andere ingrijpende gebeurtenissen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de ontploffing hoe dan ook een aandeel in het ontstaan van het geestelijk letsel heeft gehad. Het is ingewikkeld om vast te stellen hoe groot het aandeel van de ontploffing op het geestelijk letsel precies is en het zou het strafproces onevenredig belasten als daar nu nog met deskundigen onderzoek naar gedaan zou worden. De rechtbank zal daarom een deel van € 2.000,- toewijzen. De schade kan voor dat bedrag in ieder geval als gevolg van het bewezen verklaarde feit worden aangemerkt en het is ook in lijn met de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend. De rechtbank zal het resterende deel van de gevraagde immateriële schade (€ 5500,-) niet-ontvankelijk verklaren. Het staat de benadeelde partijen vrij om zich voor dit deel van hun vordering tot de civiele rechter te wenden.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [slachtoffer 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 2509.28 en de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 2465.40, beiden inclusief de wettelijke rente vanaf 3 september 2024. Beide vorderingen zullen hoofdelijk worden toegewezen. Hiermee wordt bedoeld dat elke verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is, en zal zijn gekweten voor zover een van de medeverdachten heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2509.28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast.
Ook ten behoeve van [slachtoffer 2] zal de rechtbank als extra waarborg voor betaling de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2465.40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77we, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit gepleegd, zoals hiervoor in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Oplegging van straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentie voor de duur van 240 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie
een gedeelte van 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van twee jarenvast;
- stelt als
algemene voorwaardendat de verdachte:
 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
 zich in het kader van de maatregel toezicht en begeleiding binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Slachthuisstraat 31 6041 CB Roermond. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 actief deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training de verdachte dient te volgen en op welk moment hij deze training dient te volgen. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
 zich inspant voor het vinden en behouden van een volwaardige dagbesteding van betaald werk en/of een opleiding en/of een stage, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. De verdachte overlegt daarnaast over zijn vrijetijdsbesteding met de reclassering;
 meewerkt aan controle op het gebruik van softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De
reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- legt aan verdachte op
de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidvoor de duur van drie jaren;
- beveelt dat verdachte:
  • zich onthoudt van ieder contact met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1995) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] -1989);
  • zich niet zal bevinden in [plaats] , met uitzondering van de A2 en de A27;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, de maatregel wordt vervangen door twee weken jeugddetentie. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 2509.28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 2509.28 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of een van zijn medeverdachten op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 2465.40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] ;
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2465.40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of een van zijn medeverdachten op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. O. Böhmer en mr. M.S. Gerritsen, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks op of omstreeks 03 september 2024 te [plaats] , althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een explosief dan wel (een) samen gebonden stuk(ken) zwaar vuurwerk (model
Cobra) met (een) hieraan bevestigde fles(sen) brandbare stof(fen) te plaatsen op of
nabij de voordeur van de woning aan de [adres 2] te [plaats] en deze te
ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres 2]
te [plaats] ) en die de in die woning aanwezige goederen en de
bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden en de in die
bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de in die woning ( [adres 2] te [plaats] ) aanwezige personen en/of de in
de bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige persoen
en/of passerende voetgangers, in elk geval
levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier met proces-verbaalnummer 2024275297E, doorgenummerd pagina 1 tot en met 563. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.p. 126 (digitaal p. 148).
3.p. 11 (digitaal p. 449).
4.Zie hiervoor de vakbijlage bij het proces-verbaal van de forensische opsporing over de gevaarzetting.