Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2023, oorspronkelijk vastgesteld op €700.000. Na een bezwaarprocedure verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond, waarna eiser in beroep ging. Tijdens de beroepsprocedure diende de heffingsambtenaar een compromisvoorstel in waarbij de waarde werd verlaagd naar €591.000, waarmee eiser akkoord ging.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde conform het compromis vastgesteld op €591.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Tevens is bepaald dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op €550,25, waarbij rekening is gehouden met de wettelijke wegingsfactoren uit artikel 30a Wet WOZ. De proceskosten in bezwaar zijn vastgesteld op €323,50 met een wegingsfactor van 0,25, en de proceskosten in beroep op €226,75 met dezelfde factor. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het griffierecht van €51 aan eiser vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting omdat partijen een compromis bereikten en het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank wijst erop dat de proceskosten en griffierecht alleen mogen worden uitbetaald op een bankrekening op naam van eiser, conform de wettelijke voorschriften.