ECLI:NL:RBMNE:2025:597
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens detentie na 30 dagen volgens Participatiewet
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn bijstandsuitkering per 8 maart 2024, omdat hij vanaf die datum in detentie zat. Het college had de uitkering ingetrokken omdat detentie een uitsluitingsgrond is voor recht op bijstand volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (Pw).
De rechtbank stelde vast dat het college eiser het voordeel van de twijfel had gegeven voor de periode van 8 februari tot 8 maart 2024, waarop de uitkering werd toegekend op grond van de dak- en thuislozen norm. Vanaf 8 maart 2024 was eiser in detentie en werd de uitkering terecht ingetrokken omdat de detentie langer dan 30 dagen duurde.
Eiser voerde aan dat de uitkering slechts had moeten worden opgeschort en niet ingetrokken, en dat het college geen besluit tot intrekking had genomen. De rechtbank verwierp deze gronden en stelde vast dat het bestreden besluit wel degelijk de intrekking bevatte.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het vaste beleid van het college om bij detentie langer dan 30 dagen de bijstand te beëindigen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 8 maart 2024 wegens detentie langer dan 30 dagen.