In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 2 oktober 2025, is het beroep van eiseres gegrond verklaard. Eiseres had beroep ingesteld omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig had beslist op haar bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, ingediend op 31 januari 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, aangezien eiseres de Dienst Toeslagen op 10 juni 2024 in gebreke heeft gesteld. Eiseres heeft vervolgens op 9 december 2024 beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 15 september 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van de Dienst Toeslagen aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen alsnog een besluit moet nemen, en wel binnen twee weken na verzending van de uitspraak. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 1.442,-, omdat er al 42 dagen zijn verstreken sinds de Dienst Toeslagen in gebreke is gesteld. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 453,50, en het door haar betaalde griffierecht van € 51,- moet ook worden vergoed.
De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch is. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel en legt de Dienst Toeslagen op om binnen de gestelde termijn een besluit op bezwaar bekend te maken.