ECLI:NL:RBMNE:2025:5964

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
24/7872
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar tegen compensatie kinderopvangtoeslag

In deze zaak heeft eiser, afkomstig uit Bulgarije, beroep ingesteld tegen de Dienst Toeslagen omdat hij van mening is dat er niet tijdig is beslist op zijn bezwaar van 4 augustus 2022 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend en op 30 juni 2025 een brief gestuurd waarin zij stelt dat eiser geen procesbelang heeft, omdat er inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen. De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank overweegt dat procesbelang het belang is dat bestaat bij de uitkomst van de procedure. Aangezien de Dienst Toeslagen al op 3 juli 2025 heeft beslist op het bezwaar van eiser, is het geschil tussen eiser en verweerder opgeheven. De rechtbank concludeert dat er geen procesbelang meer is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Eiser heeft ook verzocht om een rechterlijke dwangsom van maximaal € 15.000,- en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat het toekennen van een dwangsom niet mogelijk is, omdat er geen uitspraak is gedaan over de dwangsom. Eiser kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij de behandeling van het inhoudelijke beroep tegen de beslissing op bezwaar. De rechtbank kent wel een proceskostenvergoeding toe aan eiser van € 1.167,01 en bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Bulgarije), eiser,

(gemachtigde: mr. S. Ince),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 4 augustus 2022 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 30 juni 2025 heeft verweerder een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat eiser geen procesbelang heeft, omdat verweerder al een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [1]
2. Verweerder heeft reeds op 3 juli 2025 – dus nadat het beroep niet tijdig beslissen door eiser is ingediend bij de rechtbank – beslist op het bezwaar van eiser. De rechtbank stelt vast dat verweerder door het nemen van een beslissing op bezwaar al volledig aan de wens van eiser om een beslissing op bezwaar te ontvangen, tegemoet was gekomen. Het geschil tussen eiser en verweerder houdt daardoor op te bestaan. Aangezien niet is gebleken van enig belang bij vernietiging van het bestreden besluit, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
3. Ondanks het feit dat verweerder eerder de beslissing op bezwaar heeft genomen dan dat de rechtbank een uitspraak heeft gedaan en een rechterlijke dwangsom heeft opgelegd, verzoekt eiser om tóch de rechterlijke dwangsom van in totaal maximaal € 15.000,- toe te kennen. Eiser heeft namelijk op 4 augustus 2022 het bezwaarschrift ingediend en heeft dus bijna drie jaar moeten wachten op een beslissing op bezwaar. In die tussentijd heeft eiser meermaals contact opgenomen met verweerder. De rechtbank oordeelt dat het alsnog toekennen van een rechterlijke dwangsom zónder dat zij hierover uitspraak heeft gedaan niet mogelijk is. Nu de rechtbank nog geen dwangsom heeft opgelegd aan verweerder, kan zij deze ook niet met terugwerkende kracht toekennen. De dwangsom is ook niet bedoeld als een vorm van schadevergoeding voor eiser, maar als een prikkel voor verweerder om een besluit te nemen. Die prikkel is niet meer nodig.
Overschrijding redelijke termijn
4. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding toe te kennen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijk verzoek kan gedaan worden bij de behandeling van het inhoudelijke beroep tegen de beslissing op bezwaar, die in dit geval afzonderlijk zal worden behandeld.
Proceskosten en griffierecht
5. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser een vergoeding geeft voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Hiervoor wordt toegekend een bedrag van € 907,-
6. Daarnaast heeft eiser gevraagd om vergoeding van zijn eigen reis- en verblijfkosten om bij de zitting aanwezig te zijn. In onderhavig dossier stond eerst een zitting gepland op 9 juli 2025. Wegens onvoorziene omstandigheden aan de zijde van de rechtbank is deze zitting op het laatste moment geannuleerd. Hierna is de zitting verplaatst naar 15 september 2025. Eiser vraagt om een vergoeding van € 448,77. Deze kosten zien zowel op zijn reis- en verblijfkosten van juli 2025 als op zijn reis- en verblijfkosten van september 2025. De rechtbank oordeelt dat de reis- en verblijfkosten die eiser in juli heeft gemaakt om bij de (geannuleerde) zitting aanwezig te zijn voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een bedrag van € 260,01 (1x hotel van € 32,50, 1x trein van € 17,90, 1x vliegtuig van € 209,61 (409,98 Bgn leva)). De reis- en verblijfkosten van september 2025 komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking, omdat eiser niet op zitting verschenen is. Eiser heeft er zelf voor gekozen om niet naar Nederland te komen om de zitting bij te wonen. Daarom komen de reeds gemaakte kosten door eiser voor zijn eigen rekening en risico. Toegekend wordt een bedrag van € 260,01.
7. Verweerder refereert zich aan de kosten zoals vastgesteld door de rechtbank, maar merkt op dat nagedacht moet worden of de reis- en verblijfkosten van eiser voor rekening van de rechtbank moeten komen, omdat door uitstel van de zitting er extra kosten zijn gemaakt, in plaats van voor rekening van verweerder. Volgens verweerder dient de vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn naar analogie te worden toegepast. De rechtbank merkt op dat deze kosten niet ten laste van de rechtbank kunnen komen, omdat daar in de Awb geen mogelijkheid toe wordt gegeven. Daar is in dit geval ook geen reden voor, omdat de toegekende kosten zijn gemaakt voor de zitting in juli.
8. De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.167,01;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
2 oktober 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.