ECLI:NL:RBMNE:2025:5960

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/6193
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing Woo-verzoek inzake openbaarmaking kosten naheffingsaanslagen parkeerbelasting

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 30 september 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn Woo-verzoek behandeld. Eiser had op 17 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van documenten die gebruikt zijn bij het vaststellen van de kosten van naheffingsaanslagen parkeerbelasting voor de jaren 2021, 2022 en 2023. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren heeft dit verzoek gedeeltelijk afgewezen op 16 februari 2023, met de motivatie dat de gevraagde documenten al openbaar waren gemaakt in de gemeentelijke begrotingen en tarieventabellen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het college heeft in het bestreden besluit van 19 augustus 2024 de afwijzing gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt dat het college eiser ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het afzien van het horen gerechtvaardigd was. Eiser heeft herhaaldelijk aangegeven dat hij niet alle gevraagde stukken heeft ontvangen en dat de reeds openbaar gemaakte documenten niet de onderliggende informatie bevatten die hij zocht. De rechtbank concludeert dat het college de hoorplicht heeft geschonden en dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren

(gemachtigde: F.W. Hoffman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op zijn verzoek op grond van artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Eiser heeft op 17 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van – voor zover hier van belang – alle stukken die zijn gebruikt bij het vaststellen van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting in 2021, 2022 en 2023 (A), alle stukken die dienen ter onderbouwing van de kostenposten die de raad, het college of de ambtenaar die daarvoor verantwoordelijk is, in de berekening van de hoogte van de kosten van naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft betrokken (B) en de stukken waaruit een opgave van de overheadkosten die de gemeente in het algemeen maakt en de verhouding daarvan met de personeelskosten blijkt (C).
1.2.
Met het besluit van 16 februari 2023 (primaire besluit) heeft het college het Woo-verzoek gedeeltelijk afgewezen, omdat de onder A, B en C gevraagde documenten al openbaar zijn gemaakt in (de tarieventabel bij) de Verordeningen parkeerbelastingen en in de gemeentelijke begrotingen, die gepubliceerd zijn in de stukken bij de raadsvergaderingen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 19 augustus 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daarbij heeft het college voor de stukken die zijn gebruikt bij de vaststelling van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting verwezen naar de tarieventabel bij de Verordeningen parkeerbelastingen voor de jaren 2008 t/m 2023, gepubliceerd op https://lokaleregelgeving.overheid.nl. Voor de kostengrondslag en overheadkosten heeft het college verwezen naar de jaarlijkse gemeentelijke begrotingen, gepubliceerd op de website van de gemeente https://bestuur.gooisemeren.nl.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 19 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Het college was zonder bericht van verhindering niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht het college afzien van het horen van eiser op zijn bezwaar?
2. Eiser voert aan hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
2.1.
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. [1] Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. [2] Op basis van het dossier is er geen aanleiding om aan te nemen dat de overige in de wet genoemde uitzonderingen van toepassing zouden kunnen zijn. De rechtbank beoordeelt daarom of het bezwaar kennelijk ongegrond is. Met het gebruik van het woord ‘kennelijk’ is tot uitdrukking gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien als in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over het oordeel dat het bezwaar ongegrond is.
2.2.
Eiser heeft in bezwaar naar voren gebracht dat hij heeft verzocht om de stukken die gebruikt zijn bij het vaststellen van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen 2021, 2022 en 2023 én alle stukken die dienen ter onderbouwing van de kostenposten die de gemeenteraad, het college of de ambtenaar die daarvoor verantwoordelijk is, in de berekening van de hoogte van de kosten van naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft betrokken. Deze gegevens komen volgens eiser niet terug in de informatie die volgens het college al openbaar is. In de tarieventabel van de Verordeningen is wel een berekening van de kosten opgenomen, maar de onderliggende stukken zijn niet openbaar gemaakt. Ook in de jaarlijkse begrotingen waar het college naar heeft verwezen komt deze berekening niet terug.
2.3.
Uit de stukken blijkt dat eiser van meet af aan heeft aangevoerd dat hij niet alle stukken heeft ontvangen waar hij om heeft verzocht. Het college heeft daarom in het bestreden besluit niet enkel kunnen verwijzen naar de reeds openbaar gemaakte stukken, waar in het primaire besluit ook al naar verwezen is. Het college had uit de beroepsgronden moeten opmaken dat het Woo-verzoek door eiser breder was bedoeld dan het door het college is opgevat. Overigens is dat naar het oordeel van de rechtbank ook al duidelijk vanuit de tekst van het Woo-verzoek. Op de zitting is namens eiser naar voren gebracht dat het verzoek met name ziet op de onderliggende stukken, waarin de kostenposten die bij de berekening zijn gebruikt worden onderbouwd. Dit zijn geen stukken die al openbaar zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat een hoorzitting de gelegenheid had geboden voor een nadere toelichting van eiser op zijn Woo-verzoek. Als er tussen eiser en het college verschil in opvatting bestaat over de reikwijdte van het Woo-verzoek, dan had het college dat op de hoorzitting met eiser kunnen bespreken. Verder had het college met eiser kunnen bepreken waarop de bedragen die zijn genoemd in de gemeentelijke begrotingen met betrekking tot parkeerkosten naheffingsaanslagen, zijn gebaseerd. Dit kan betekenen dat er mogelijk meer documenten onder het college berusten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen.
2.4.
De rechtbank overweegt dat hierdoor niet kan worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander besluit. Daarbij heeft het college in het bestreden besluit niet gemotiveerd op welke grond van het horen in bezwaar is afgezien. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en was ook niet op zitting aanwezig om daarover een toelichting te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de hoorplicht geschonden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep tegen het afwijzen van het Woo-verzoek is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat het college eisers Woo-verzoek niet had mogen afwijzen zonder eiser te horen in bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser als gevolg van de schending van de hoorplicht door het college in zijn belangen is geschaad en er dus geen reden is om dit gebrek te passeren. De rechtbank ziet ook geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college waarschijnlijk een nieuwe zoekslag moet doen naar de onderbouwing van de kostenposten. De rechtbank doet ook geen tussenuitspraak, omdat dit volgens de rechtbank in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
3.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken.
3.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.