Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen
[eiseres] en [eiser] , uit [woonplaats] , eiseres en eiser, samen eisers
[vergunninghouder](vergunninghouder), uit [plaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, buren van de vergunninghouder, maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor een dakopbouw op een aanbouw aan de woning van vergunninghouder. Het college wees het bezwaar af, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank.
Eisers voerden aan dat de oorspronkelijke vergunning uit 2009 onrechtmatig was vanwege overschrijding van de toegestane bebouwing en dat dit de vergunning voor de dakopbouw zou moeten verhinderen. De rechtbank oordeelde echter dat de vergunning uit 2009 onherroepelijk en legaal is, en dat de rechtszekerheid van de vergunninghouder prevaleert. De zaak bij de Hoge Raad waarop eisers zich beroepen was niet vergelijkbaar.
De rechtbank stelde vast dat de dakopbouw voldoet aan het Omgevingsplan van de gemeente en de welstandscriteria. Omdat het een gebonden beschikking betreft, had het college geen ruimte om belangenafwegingen te maken, zoals de bezwaren van eisers over het verlies van zonlicht of uitzicht. Overbouw en raamkwesties werden niet aan de orde gesteld.
Eisers vroegen ook om een schadevergoeding van €25.000,- wegens verlies van woongenot en waardevermindering, maar dit verzoek werd afgewezen omdat er geen causaal verband was met het bestreden besluit en het beroep ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Eisers krijgen het griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.