In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de WOZ-waarde van een woning in Utrecht. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op € 556.000,- per 1 januari 2022, waarop eiser bezwaar had aangetekend. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser in beroep ging. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank volgde de argumenten van de heffingsambtenaar, die een taxatiematrix had overlegd met vergelijkbare woningen in de buurt. Eiser voerde aan dat de woning gedateerde voorzieningen had en dat de staat van onderhoud matig was, maar de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar hier voldoende rekening mee had gehouden. Ook de ligging van de woning nabij een snelweg en hoogspanningsmast werd door de rechtbank als verdisconteerd in de waardebepaling beschouwd. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde gehandhaafd bleef. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht.