Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:5747

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/3232
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Conservatoire maatregel
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens vertraagde beslissing kinderopvangtoeslag

Verzoekster diende op 15 november 2023 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Dienst Toeslagen, besloot pas op 23 juni 2025 op deze aanvraag, wat volgens verzoekster te laat was. Verzoekster stelde daarom beroep in tegen het niet tijdig beslissen, maar trok dit beroep in nadat verweerder alsnog een besluit had genomen. Vervolgens vroeg verzoekster vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank Midden-Nederland, als bevoegde rechtbank, behandelde het verzoek tot proceskostenvergoeding zonder zitting. Verweerder reageerde niet op het verzoek, maar gaf in een verweerschrift aan dat verzoekster in aanmerking komt voor vergoeding. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht stelde de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op €453,50, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het geschil.

Daarnaast is verweerder verplicht het door verzoekster betaalde griffierecht van €53,- te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskostenvergoeding aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 16 oktober 2025.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3232

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft beroep ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 15 november 2023 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 23 juni 2025 alsnog een besluit bekend gemaakt op de aanvraag van verzoekster.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Limburg, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen. [1]
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [2]
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel op 19 juni 2025 een verweerschrift naar aanleiding van het beroep niet tijdig beslissen ingediend, waarin verweerder aangeeft dat verzoekster in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden). [3]
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor wenden tot verweerder.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb.
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.