Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:5716

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/2982
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArt. 30a Wet WOZArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging uitspraak bezwaar WOZ-waarde wegens niet verstrekken taxatieverslag

Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning voor het belastingjaar 2023. Zij ontving echter geen taxatieverslag, wat volgens artikel 40 van Pro de Wet WOZ verplicht is. De heffingsambtenaar bevestigde deze nalatigheid maar wilde de zaak niet terugverwijzen. De rechtbank oordeelde dat het niet verstrekken van het taxatieverslag een schending van de wet is, verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar.

Eiseres stelde ook een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn en een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding van ruim negen maanden. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn tijdig was verdaagd en wees de dwangsom af. Ook de immateriële schadevergoeding werd geweigerd, mede vanwege het geringe financiële belang en het ontbreken van onderbouwing.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en bepaalde dat een nieuwe uitspraak op bezwaar moet worden genomen waarbij eiseres alsnog in de gelegenheid wordt gesteld haar bezwaren toe te lichten en een aanvullend bezwaarschrift in te dienen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd; de heffingsambtenaar moet een nieuwe uitspraak doen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2982

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 64.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres als eigenares van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.1.
Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief van 29 januari 2024 heeft eisers de heffingsambtenaar in gebreke gesteld.
1.2.
In de uitspraak op bezwaar van 12 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar ook een besluit genomen op de ingebrekestelling.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder zitting. [1] De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat zij ten onrechte geen taxatieverslag heeft ontvangen (althans pas ná de uitspraak op bezwaar) en niet is gehoord door de heffingsambtenaar. Zij verzoekt de rechtbank om de zaak naar de heffingsambtenaar terug te verwijzen, zodat zij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om een inhoudelijk bezwaarschrift in te dienen en eventueel gehoord te worden.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift bevestigd dat per abuis geen taxatieverslag is verzonden en dat er geen gronden van bezwaar zijn opgevraagd bij de gemachtigde van eiseres. De heffingsambtenaar ziet echter geen baat bij het terug verwijzen naar de heffingsambtenaar en verzoekt de rechtbank de zaak inhoudelijk te behandelen nadat de gronden van beroep zijn aangevuld.
2.2.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar aan degene die een WOZ-beschikking heeft gekregen op diens verzoek de gegevens verstrekken die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. De door eiseres in bezwaar verzochte gegevens zijn aan te merken als dergelijke, aan de waarde ten grondslag liggende gegevens. De heffingsambtenaar had die gegevens dus in de bezwaarfase aan eiseres moeten verstrekken. De rechtbank volstaat met de vaststelling dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank zal bepalen dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak moet doen op eiseres haar bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de heffingsambtenaar eiseres alsnog in de gelegenheid moet stellen om een aanvullend bezwaarschrift in te dienen en op verzoek van eiseres moet horen over haar bezwaren.
Dwangsom
3. Eiseres heeft de heffingsambtenaar bij brief van 29 januari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. Volgens de heffingsambtenaar is de ingebrekestelling op 1 februari 2024 door hem ontvangen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 is ontvangen door de heffingsambtenaar. De uitspraak op bezwaar is op 16 maart 2024 verzonden. Eiseres voert aan dat het college niet tijdig beslist heeft op het bezwaar en daarom aanspraak maakt op een dwangsom van € 1.037,-.
3.1.
De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het verzend- en bezorgbewijs bevestigd dat de ingebrekestelling inderdaad op 20 januari 2024 is ontvangen. Los daarvan stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat de beslistermijn is verdaagd met de e-mail die op 28 december 2023 per e-mail is verstuurd. Eiseres zegt dat de heffingsambtenaar de beslistermijn niet heeft verdaagd.
3.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het relaas van de heffingsambtenaar te twijfelen. Nog daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat eiseres niet kenbaar heeft gemaakt dat zij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, ziet de rechtbank in de stukken ook voldoende aanwijzingen dat de verdaging daadwerkelijk aan eiseres is verzonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de termijn om te beslissen op het bezwaar tijdig is verdaagd en dat de ingebrekestelling prematuur is. Dat betekent dat de heffingsambtenaar geen dwangsom is verschuldigd aan eiseres.
Immateriële schadevergoeding
4. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
4.1.
Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 28 februari 2023. De rechtbank constateert dat sinds de indiening van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) negen maanden is overschreden.
4.2.
Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [2] heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [3] Eiseres heeft enkel verzocht om een immateriële schadevergoeding. Eiseres heeft hiervoor geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. [4] De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiseres recht op vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht.
6. De rechtbank stelt de proceskosten in beroep op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- en wegingsfactor 0,25). [5]
7. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 226,75;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
30 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
3.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
4.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
5.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.