Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:5707

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
24/6130 - einduitspraak
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Durdabak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit parkeerplaatsen exclusief voor elektrische voertuigen wegens motiveringsgebrek

In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn terecht twee parkeerplaatsen had aangewezen als exclusief bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen. In een eerdere tussenuitspraak had de rechtbank een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vastgesteld omdat het college de onderliggende metingen van de bezettingsgraad van nabijgelegen laadpalen niet had overgelegd.

Het college heeft daarop een aanvullende motivering ingediend met gegevens over de bezettingsgraad van de laadpalen over de periode januari tot en met juni 2025. Eiser betoogde dat deze gegevens niet relevant waren omdat het besluit dateerde uit 2024 en de metingen van dat jaar niet waren verstrekt. De rechtbank oordeelde dat het college had moeten aantonen dat de bezettingsgraad in 2024 daadwerkelijk meer dan 50% bedroeg, zoals vereist in de beleidsregels.

Omdat het college dit niet heeft gedaan, is het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de bezettingsgraad van laadpalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6130 – einduitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, het college

(gemachtigden: B. Hiemstra en A.S. Millerson).

Procesverloop

In deze zaak gaat het om de vraag of het college twee parkeerplaatsen aan de [straat] te [plaats] , ter hoogte van [adres] , heeft kunnen aanwijzen als parkeergelegenheid uitsluitend bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen.
In de tussenuitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank beslist dat sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het rapport over dan wel de uitkomst van de meting van de bezettingsgraad van de bestaande oplaadpunten binnen een straal van 300 meter loopafstand van de aanvragers te overleggen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiser heeft hierop schriftelijke gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op voornoemde tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 [1] en 15 augustus 2012 [2] .
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college het ingenomen standpunt, dat de reeds beschikbare oplaadpunten aan de Meester de Groothof, de Kemphaanstraat en Lepelaarstraat te Baarn voldoende worden gebruikt en er sprake is van een bezettingsgraad van meer dan 50%, onvoldoende heeft gemotiveerd. De reden hiervan is dat het college de bevindingen van het bezettingsgraadonderzoek niet heeft overgelegd. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het rapport over dan wel de uitkomst van het bezettingsgraadonderzoek alsnog te overleggen. Het college heeft naar aanleiding hiervan binnen de door de rechtbank gestelde termijn een aanvullende motivering ingediend.
3. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd en voert in de zienswijze kort samengevat aan dat de door het college in de aanvullende motivering opgenomen diagrammen met vermelding van de verbruikte KWh per laadpaal - weergegeven per avond (rood), nacht (groen) en middag (geel) - geen 24-uurs daggemiddelde omvat. Daarnaast voert eiser aan dat het vermelde verbruik de periode januari tot en met juni 2025 behelst, terwijl het bestreden besluit dateert van 20 augustus 2024. Eiser stelt dat de uitkomst van het bezettingsgraadonderzoek daardoor niet bruikbaar is.

Beoordeling rechtbank

4. Na de tussenuitspraak is de enkele vraag die nog voorligt of is voldaan aan het in de beleidsregels vermelde toetsingscriterium voor de bezettingsgraad die geldt voor het plaatsen van een publieke laadpaal. In de beleidsregels staat hierover vermeld dat alleen medewerking wordt verleend aan een verzoek als er geen openbaar oplaadpunt binnen een straal van 300 meter loopafstand beschikbaar is, tenzij sprake is van een bezettingsgraad van meer dan 50% (gemiddeld over 24 uur). Uit de na de tussenuitspraak overgelegde diagrammen, zoals opgenomen in de aanvullende motivering, blijkt dat de daar weergegeven bezettingsgraad ziet op de periode januari tot en met juni 2025, terwijl het (primaire én bestreden) besluit dateert van 2024. De metingen van de betreffende laadpalen over 2025 kunnen niet ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zijn in dit kader dan ook niet van belang. Het had op de weg van het college gelegen om de metingen die ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming inzichtelijk te maken. Nu het college dit niet heeft gedaan, kan op grond van de aanvullende motivering niet vastgesteld worden όf de bezettingsgraad in 2024 daadwerkelijk meer dan 50% bedroeg. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college met de aanvullende motivering er niet in is geslaagd het ingenomen standpunt alsnog voldoende te motiveren. De beroepsgrond slaagt.

Eindconclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil definitief te beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet het college eisers proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoeden. De rechtbank stelt de reiskosten, rekening houdend met een retour Baarn – Utrecht met het openbaar vervoer, tweede klasse, vast op € 12,40. Voor wat betreft de verletkosten stelt de rechtbank deze vast op € 79,50 (45 minuten zitting à € 106,- per uur).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 91,90,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.