ECLI:NL:RBMNE:2025:5595

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/5995 en UTR 25/5996
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet Tijdelijk HuisverbodArt. 8:86 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing tijdelijk huisverbod wegens ontbreken ernstig en onmiddellijk gevaar

Op 16 oktober 2025 legde de burgemeester een tijdelijk huisverbod op aan eiser vanwege een incident op 13 oktober waarbij een ruzie plaatsvond in de woning en de politie werd ingeschakeld. Het huisverbod duurde tien dagen en was bedoeld om de veiligheid van de achterblijfster en de baby te waarborgen.

Eiser stelde beroep in tegen het huisverbod en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 22 oktober 2025 en oordeelde dat het huisverbod niet terecht was opgelegd omdat er op het moment van oplegging geen ernstig en onmiddellijk gevaar meer bestond. De burgemeester had het huisverbod pas drie dagen na het incident opgelegd, nadat eiser niet wilde meewerken aan een veiligheidsplan.

De voorzieningenrechter vernietigde het besluit tot oplegging van het huisverbod en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel werd ambtshalve een voorlopige voorziening getroffen die bepaalt dat eiser pas na 48 uur terug mag keren naar de woning, om de belangen van de achterblijfster en de kinderen te beschermen. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 oktober 2025 en partijen werden gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen zes weken. Tegen de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het tijdelijk huisverbod wordt vernietigd en eiser mag pas na 48 uur terugkeren naar de woning.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/5995 en UTR 25/5996

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[eiser] , uit [plaats] , verzoeker/eiser (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en

de burgemeester van de gemeente Dronten

(gemachtigde: mr. J. Stuiver).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel
: [de achterblijfster]uit [plaats] (de achterblijfster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen het aan hem op 16 oktober 2025 opgelegde tijdelijk huisverbod voor de woning op het adres [adres] in [plaats] . Dit huisverbod is ingegaan op 16 oktober 2025 om 13:44 uur en duurt 10 dagen tot 26 oktober 2025 om 13:44 uur. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester, samen met [A 1] en [A 2] (adviseur huisverboden bij de politie).
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Omdat zij na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1] Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De burgemeester kan aan een persoon een huisverbod opleggen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of als op grond van feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. [2]
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen, omdat er gelet de feiten en omstandigheden ten tijde van het opleggen van dat verbod geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en de baby. De voorzieningenrechter legt dit hieronder uit.
4. Vast staat dat er op 13 oktober 2025 een incident heeft plaatsgevonden in de woning waarbij achterblijfster de politie heeft ingeschakeld. Na een ruzie heeft eiser hun baby opgepakt dan wel afgepakt van achterblijfster en meegenomen naar zijn moeder. Volgens achterblijfster heeft eiser haar tijdens deze ruzie geslagen. Dat de burgemeester zich op dat moment heeft afgevraagd of er sprake was van een gevaarlijke situatie, kan de voorzieningenrechter zich voorstellen. Eiser weigerde op dat moment om de woning te verlaten. Er is toen echter geen huisverbod opgelegd, omdat achterblijfster met behulp van de politie de nacht ergens anders heeft kunnen doorbrengen. Op die manier is er een soort natuurlijke time-out gecreëerd. Pas drie dagen later – op 16 oktober 2025 – is de burgemeester overgegaan tot het opleggen van het huisverbod. Op de zitting heeft de burgemeester uitgelegd dat de voornaamste reden hiervoor is geweest dat eiser niet bereid was gevonden om mee te werken aan een veiligheidsplan met Veilig Thuis. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor het feit dat de burgemeester in dit gezin iets wilde doen, is zij van oordeel dat het al dan niet eerder aanwezige gevaar – in ieder geval op dat moment – niet meer onmiddellijk was. Voor een dergelijk ingrijpen naderhand is de Wet Tijdelijk Huisverbod niet bedoeld.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen het huisverbod is gegrond en het besluit tot oplegging daarvan wordt vernietigd. Bij deze uitkomst is er geen ruimte meer om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.721,- voor de bijstand door een gemachtigde (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1). Voor huisverboden hoeft geen griffierecht te worden betaald, dit hoeft de burgemeester dus niet te vergoeden.
7. Deze mondelinge uitspraak wordt gedaan op woensdag 22 oktober 2025, rond 15:15 uur. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat eiser pas vanaf donderdag 23 oktober 2025, om 15:30 uur terug mag naar de woning. Dat doet zij met het oog op de belangen van achterblijfster en de kinderen. Achterblijfster was niet bij de zitting aanwezig en zij mag niet verrast worden door de plotselinge thuiskomst van eiser. Het is de verantwoordelijkheid van de burgemeester om ervoor te zorgen dat zij geïnformeerd wordt, zo nodig door het inschakelen van de politie. De burgemeester moet ook Veilig Thuis informeren over de opheffing van het huisverbod, zodat er zo nodig andere maatregelen kunnen worden getroffen. Met deze voorlopige voorziening heeft de burgemeester daarvoor 24 uur de tijd.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 16 oktober 2025;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • treft de voorlopige voorziening dat eiser niet vóór 23 oktober 2025 om 15:30 uur terug mag naar de woning aan de [adres] in [plaats] ;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).