ECLI:NL:RBMNE:2025:5568

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
11913342
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 242 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming en huurbetaling na brand bedrijfspand met verkorte termijn

Eisers hebben [gedaagde], huurder van een bedrijfspand waarin een viswinkel werd geëxploiteerd, gedagvaard wegens huurachterstand en vorderden ontruiming en betaling van achterstallige huur en contractuele boetes. [gedaagde] is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

Op 21 oktober 2025 is het gehuurde pand door brand vrijwel onbruikbaar geworden. Dit uitzonderlijke feit leidde tot een verkorte ontruimingstermijn van tien dagen, omdat voortzetting van de bedrijfsvoering aldaar niet mogelijk is en het in het belang van [gedaagde] is het pand snel te ontruimen.

De kantonrechter wees de vorderingen toe aan [eiseres sub 1], die eigenaar en verhuurder is, en wees ze af ten aanzien van [eiseres sub 2], die niet langer verhuurder is. Daarnaast werd een gematigde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toegewezen en werd [gedaagde] veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vordering tot ontruiming en betaling huurachterstand wordt toegewezen met een verkorte ontruimingstermijn van tien dagen wegens brand in het pand.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11913342 \ UV EXPL 25-250 WMB/61313
Vonnis in kort geding van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres sub 1] B.V.,
hierna te noemen: [eiseres sub 1] ,
[eiseres sub 2] B.V.,
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
beiden gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. E.M. Uijttewaal,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Eisers hebben [gedaagde] op 17 oktober 2025 gedagvaard. Op 24 oktober 2025 hebben eisers aanvullende producties overgelegd. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 oktober 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. Namens eisers is verschenen de heer [A] , bestuurder van beide vennootschappen. Hij werd bijgestaan door mr. Uijttewaal. [gedaagde] is niet verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt per 1 februari 2023 van (een van) eisers het bedrijfspand met het adres [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] (hierna: het gehuurde) en exploiteert daarin een viswinkel. Eisers willen dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehuurde te ontruimen, omdat hij een huurachterstand heeft. Daarnaast willen zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand en contractuele boetes te betalen. Eisers hebben erop gewezen dat er op 21 oktober 2025 een brand is uitgebroken in het pand, waardoor het pand vrijwel onbruikbaar is geworden. De vorderingen worden (ten aanzien van [eiseres sub 1] ) toegewezen.

3.De beoordeling

De kantonrechter verleent verstek tegen [gedaagde]
3.1.
[gedaagde] is niet op de zitting verschenen. De dagvaarding is wel op de juiste manier aan hem betekend. De kantonrechter verleent daarom verstek tegen [gedaagde] .
De vorderingen worden ten aanzien van [eiseres sub 2] afgewezen
3.2.
Eisers hebben in de dagvaarding uitgelegd dat de vorderingen namens hen beide zijn ingesteld omdat [eiseres sub 2] voorheen de verhuurder was van [gedaagde] . Zij stellen dat [eiseres sub 1] eigenaar is van het pand en inmiddels in de plaats is getreden van [eiseres sub 2] als verhuurder. Aangezien dat niet is weersproken, gaat de kantonrechter ervan uit dat dat klopt. Daarmee staat vast dat [eiseres sub 2] geen ontruiming of betaling van een huurachterstand van [gedaagde] kan vorderen. Ten aanzien van [eiseres sub 2] zullen de vorderingen daarom worden afgewezen.
Spoedeisend belang
3.3.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat [eiseres sub 1] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat heeft zij, omdat al sprake is van een aanzienlijke huurachterstand, die gelet op de omstandigheden alleen maar verder zal gaan oplopen.
De vorderingen worden ten aanzien van [eiseres sub 1] toegewezen
3.4.
Ten aanzien van [eiseres sub 1] komen de ingestelde vorderingen tot ontruiming en betaling van de huurachterstand en contractuele boetes de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De kantonrechter zal de vorderingen daarom toewijzen, met inachtneming van het volgende.
3.5.
[eiseres sub 1] heeft (primair) gevorderd de ontruiming binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn. Over het algemeen genomen moet die laatste zinsnede zo worden uitgelegd dat de kantonrechter daarmee de mogelijkheid wordt geboden om ontruiming op een langere termijn toe te kunnen wijzen dan gevorderd, als dat in de gegeven zaak op zijn plaats is. [eiseres sub 1] heeft de kantonrechter in overweging gegeven dat die zinsnede in dit geval ruimte biedt om juist een kortere termijn voor de ontruiming te geven, gezien de buitengewone omstandigheid dat het gehuurde kort voor de zitting is uitgebrand.
3.6.
Gelet op het feit dat de kantonrechter in kort geding bevoegd is om een zodanig andere voorziening te treffen als bij de veranderde omstandigheden voor het gegeven geval passend is, [1] ziet de kantonrechter reden om [gedaagde] tien dagen de tijd te geven om het pand te ontruimen. Naar oordeel van de kantonrechter is dat namelijk ook in het belang van [gedaagde] zelf. Uit het krantenartikel over de brand dat [eiseres sub 1] heeft overgelegd, begrijpt de kantonrechter dat een verdere bedrijfsvoering in het pand voor [gedaagde] voorlopig geen optie zal zijn. [gedaagde] heeft er dus baat bij om [eiseres sub 1] zo snel mogelijk weer beschikking te geven over het gehuurde, omdat hij van daaruit geen inkomsten meer kan genereren.
[gedaagde] moet € 1.019,69 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.7.
[eiseres sub 1] vordert verder vergoeding van € 1.403,15 aan buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter ziet reden om de vordering te matigen [2] tot het bedrag dat op basis van de staffel uit het Besluit kan worden toegewezen bij de gevorderde hoofdsom aan huurachterstand. [eiseres sub 1] heeft niet onderbouwd waarom het meerdere boven dat bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten in redelijkheid is gemaakt. De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 1.019,69 toewijzen. Anders dan [eiseres sub 1] heeft gevorderd, wordt niet de handelsrente, maar de normale wettelijke rente daarover toegewezen. Het gaat hier om een vordering tot vergoeding van schade, waardoor over dat bedrag geen handelsrente over kan worden toegewezen. [3]
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres sub 1] betalen
3.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiseres sub 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.340,40

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen tien kalenderdagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres sub 1] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres sub 1] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres sub 1] :
a. € 9.354,34 (inclusief BTW) aan achterstallige huur tot en met 31 oktober 2025, vermeerderd met de contractuele boete gerekend vanaf de respectievelijke vervaldata van de verschuldigde huurtermijnen tot aan de dag der algehele betaling,
b) € 1.821,78 (inclusief BTW) per maand vanaf 1 november 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 1.019,69 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, [4] vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.340,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
  • de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
  • de wettelijke rente
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken door mr. V.E.J.A. Boots op 29 oktober 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:49.
2.Op grond van artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Zie artikel 6:119a BW.
4.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
5.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.