ECLI:NL:RBMNE:2025:5531

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
598225 FV RK 25-2021
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 2:1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond verklaard tegen verhoging medicatie als verplichte zorg

Betrokkene verblijft sinds april 2025 op grond van een maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging in een kliniek. De instelling heeft op 8 juli 2025 een schriftelijke aanzegging gedaan voor de verhoging van de medicatie olanzapine van 5 mg naar 20 mg. Betrokkene diende op 4 juli 2025 een klacht in bij de klachtencommissie, die deze op 17 juli 2025 ongegrond verklaarde.

Betrokkene verzocht vervolgens de rechtbank om een beslissing op de klacht en tevens om schorsing van de beslissing van de instelling totdat de rechtbank definitief zou beslissen. De rechtbank beoordeelde of de verhoging van de medicatie als verplichte zorg voldeed aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid zoals neergelegd in artikel 2:1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

De rechtbank oordeelde dat de medicatieverhoging doelmatig was, omdat de bloedspiegel van de medicatie aanvankelijk te laag was en na ophoging het gewenste effect van rust en minder agitatie werd bereikt. Er waren geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar, waardoor ook aan het subsidiariteitsvereiste werd voldaan. Hoewel betrokkene bijwerkingen ervaart, vond de rechtbank de verhouding tussen het belang van de behandeling en de inbreuk proportioneel. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen omdat de klacht reeds definitief was beoordeeld.

Uitkomst: De klacht tegen de verhoging van medicatie als verplichte zorg is ongegrond verklaard en het verzoek tot schorsing is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/598225 / FV RK 25-2021
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdens de zitting van 3 september 2025
in de zaak van:
[betrokkene], betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonend in [woonplaats] ,
verblijvend in de [Kliniek] , locatie [locatie] , in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.M.H.M. den Dekker.

1.De procedure

1.1.
Betrokkene heeft op 13 augustus 2025 een verzoekschrift met bijlagen bij de rechtbank ingediend.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 3 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • betrokkene met zijn advocaat;
  • [persoon1] , psychiater;
  • [persoon] , verpleegkundige in opleiding tot specialist.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan op het verzoek. De beslissing en de gronden waarop deze is gebaseerd zijn hieronder weergegeven.

2.De beslissing

De rechtbank:
2.1.
verklaart de klacht ongegrond;
2.2.
wijst af het verzoek de beslissing te schorsen.

3.De gronden van de beslissing

3.1.
Betrokkene verblijft sinds april 2025 op grond van een maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in de [Kliniek] , locatie [locatie] .
3.2.
De instelling heeft op 8 juli 2025 een schriftelijke aanzegging voor verplichte zorg aan betrokkene afgegeven, te weten verhoging van de medicatie olanzapine met 5 mg naar 20 mg.
3.3.
Betrokkene heeft tegen deze aanzegging op 4 juli 2025 een klacht bij de klachtencommissie ingediend. De klachtencommissie heeft op 17 juli 2025 de klacht ongegrond verklaard.
3.4.
Betrokkene vraagt nu aan de rechtbank om een beslissing op de klacht. Betrokkene vraagt de rechtbank ook de beslissing van de instelling om verplichte zorg toe te passen te schorsen totdat de rechtbank definitief op de klacht van betrokkene heeft beslist.
3.5.
De rechtbank moet beoordelen of de instelling verhoging van de medicatie als vorm van verplichte zorg mocht toepassen. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de algemene uitgangspunten en de eisen van artikel 2:1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg van toepassing. Dit houdt in dat de inzet van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid.
3.6.
De rechtbank moet beoordelen of de verplichte zorg doelmatig is, met andere woorden of de verplichte zorg effectief is en werkt. De rechtbank is van oordeel dat dit zo is. Op het moment dat de agitatie bij betrokkene toenam, werd de hoeveelheid medicatie in het bloed (de spiegel) gecontroleerd. Die was toen te laag. De behandelaars vermoeden dat betrokkene af en toe de medicatie niet inneemt. Volgens betrokkene doet hij dat wel. De rechtbank kan dit niet controleren, maar feit is dat de spiegel in het bloed te laag was. Daarop is de medicatie opgehoogd. Daardoor is ook de bloedspiegel zodanig omhoog gegaan dat er effect van de medicatie mag worden verwacht. Dat effect is er ook; betrokkene is rustiger en minder geagiteerd. Daaruit concludeert de rechtbank dat de ophoging van de medicatie heeft gewerkt.
3.7.
Betrokkene zegt dat een andere kamer, zoals hij inmiddels ook heeft gekregen, net zo goed zou hebben geholpen om minder geagiteerd te zijn. Dat is echter niet gezegd. Vermoed wordt dat na verloop van tijd dezelfde soort problematiek zou zijn ontstaan. Belangrijk was dat de medicatie een bepaalde waarde in het bloed moest hebben om effectief te zijn. Dat is met het ophogen van de medicatie gelukt. Er zijn dus geen minder ingrijpende manieren om het gewenste effect te bereiken. Daarmee voldoet de verplichte zorg ook aan de eisen van subsidiariteit.
3.8.
De verplichte zorg is ook proportioneel, dat wil zeggen dat het belang van de behandeling in verhouding staat met de inbreuk. Betrokkene zegt dat er misschien wel wat problemen waren met hem, maar dat hij zoveel bijwerkingen van de ophoging heeft, dat het niet met elkaar in verhouding staat. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de bijwerkingen vervelend zijn, geeft de rechtbank betrokkene geen gelijk. Er moet iets doorbroken worden zodat betrokkene verder kan. De instelling heeft de ernst van de situatie en de bijwerkingen van de behandeling zorgvuldig tegen elkaar afgewogen en beslist dat in ieder geval tijdelijk de medicatie moest worden verhoogd. De instelling houdt betrokkene goed in de gaten; inmiddels is de medicatie alweer enigszins verlaagd en over twee weken kijkt de instelling weer of de medicatie verder verlaagd kan worden.
3.9.
Omdat de rechtbank een beslissing op de klacht heeft genomen, heeft betrokkene geen belang meer schorsing van de beslissing van de instelling. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025 door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in aanwezigheid van de griffier, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is verzonden op 18 september 2025.
Tegen deze beslissing kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep
worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.