Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de advocaat van betrokkene;
- [A] , geneesheer-directeur.
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene heeft een zorgmachtiging tot 21 januari 2026 en is onderworpen aan verplichte zorg, waaronder medicatietoediening. Na eerdere klachten en een deels gegronde uitspraak van de klachtencommissie over een eerdere periode, heeft de instelling op 28 augustus 2025 een nieuwe aanzegging gegeven voor verplichte medicatie.
Betrokkene heeft hiertegen een klacht ingediend en verzocht om schorsing van deze aanzegging. De klachtencommissie wees het schorsingsverzoek af en verklaarde de klacht uiteindelijk ongegrond. Betrokkene wendde zich vervolgens tot de rechtbank met een verzoek tot schorsing en gegrondverklaring van de klacht.
De rechtbank oordeelt dat de aanzegging van 28 augustus 2025 rechtmatig is. Onafhankelijke artsen stelden vast dat betrokkene lijdt aan een psychose, waarvoor medicatie de standaardbehandeling is. De rechtbank acht het ernstig nadeel door de psychose bewezen en vindt dat medicatie noodzakelijk is om dit af te wenden. De effectiviteit van de medicatie wordt erkend, ondanks dat betrokkene twijfelt.
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing af omdat de klacht reeds is beoordeeld. Ook een verzoek om schadevergoeding wordt niet toegewezen omdat de klacht ongegrond is verklaard. De uitspraak is mondeling gedaan op 26 september 2025 en schriftelijk vastgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht ongegrond en wijst het verzoek tot schorsing af.