Eiser, houder van een clubcard, kocht toegangskaarten voor een voetbalwedstrijd die hij aan een zakenrelatie zou schenken. Deze kaarten werden echter via een commerciële website doorverkocht, wat leidde tot een stadionverbod van 18 maanden en een boete van €450,- opgelegd door de KNVB.
Eiser vorderde in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van het stadionverbod en de boete, stellende dat hij een spoedeisend belang had omdat hij de wedstrijden wilde bijwonen en de bodemprocedure lang zou duren. De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser geen spoedeisend belang had, mede omdat hij in het verleden voor 41 wedstrijden kaarten had doorverkocht en onvoldoende had toegelicht waarom hij alle wedstrijden zou moeten kunnen bijwonen.
De KNVB kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid tot het besluit komen, gelet op het beleid tegen doorverkoop van kaarten en de bewijsvoering dat de kaarten via een commerciële website waren verhandeld. Het stadionverbod en de boete werden daarom bevestigd en de vorderingen afgewezen.
Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.999,-. Het vonnis werd gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.