ECLI:NL:RBMNE:2025:5482

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
11691554 UC EXPL 25-4129
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Koopovereenkomst tot stand gekomen na afloop huurperiode met koopoptie

Partijen sloten op 1 juli 2021 een huurovereenkomst voor een Range Rover met een koopoptie na afloop van de huurperiode. Na afloop van de huurperiode verlengde de huurovereenkomst zich met 12 maanden. De huurder leverde de auto niet in, waarna de verhuurder uitging van gebruikmaking van de koopoptie en betaling van de koopsom vorderde.

De huurder stelde dat hij nooit de intentie had de auto te kopen en dat de auto door een compagnon zonder medeweten was verkocht. De kantonrechter oordeelde echter dat uit het niet inleveren van de auto en het feit dat een medewerker over de auto beschikte als eigenaar, mocht worden afgeleid dat de huurder de koopoptie had aanvaard. De huurder had ook deels betaald en voorgesteld een betalingsregeling te treffen.

De kantonrechter veroordeelde de huurder tot betaling van het restant van de koopsom van €19.511,25 inclusief BTW, alsmede de wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding en buitengerechtelijke incassokosten van €970,11. De gevorderde rente vanaf de factuurdatum werd afgewezen omdat de factuur niet was verstuurd. Daarnaast werden de proceskosten van €2.804,35 aan de verhuurder toegewezen.

Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het restant van de koopsom, wettelijke rente vanaf dagvaarding, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11691554 \ UC EXPL 25-4129 RvdH/1037
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.W.M. Peeters,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 24 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] de huurovereenkomst tussen partijen van 1 juli 2021 en de toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd.
1.2.
De heer [A] , bestuurder van [gedaagde] , is via een telefoonverbinding bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.
1.3.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft aan [gedaagde] een Range Rover (hierna: de auto) verhuurd. In de huurovereenkomst is een koopoptie opgenomen. [gedaagde] heeft na afloop van de huurovereenkomst de auto niet ingeleverd. Daaruit heeft [eiseres] opgemaakt dat [gedaagde] gebruik wilde maken van de koopoptie. Daarom heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op de koopsom. [gedaagde] heeft een deel daarvan betaald. [gedaagde] wil het restant niet betalen, omdat zij niet beschikt over middelen om dat te doen, mede omdat de berijder van de auto die heeft verkocht, zonder medeweten van [gedaagde] . [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het restant van de koopsom en de kantonrechter wijst die vordering toe.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het restant van de koopsom aan [eiseres] moet betalen, omdat er tussen deze partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.2.
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 1 juli 2021 de eerste overeenkomst gesloten voor de huur van de auto. De huurperiode bedroeg 24 maanden. Na afloop van deze periode is de huurovereenkomst voor de duur van 12 maanden verlengd. In de verlengingsovereenkomst (en overigens ook in de eerste huurovereenkomst) is een koopoptie opgenomen. De huurder heeft op grond daarvan na afloop van de huurperiode het recht om de auto te kopen en in eigendom te verkrijgen voor de prijs van € 21.500,00 exclusief BTW (€ 26.015,00 inclusief BTW).
3.3.
Omdat [gedaagde] de auto niet heeft ingeleverd, is [eiseres] ervan uitgegaan dat [gedaagde] gebruik wilde maken van de koopoptie. Het hoofd financiën van [eiseres] (hierna: [B] ) heeft in zijn e-mails van 9 juli 2024 en 9 oktober 2024 [gedaagde] daarom gemaand tot betaling van de koopsom.
3.4.
De bestuurder van [gedaagde] (hierna: [A] ) heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de auto nooit heeft willen kopen. De kantonrechte heeft uit de woorden van [A] begrepen dat hij zich op het volgende standpunt stelt. [A] ging ervan uit dat de auto terug was gegaan naar [eiseres] . Pas later hoorde hij van [eiseres] dat de auto door zijn compagnon (die in de auto reed) niet is terug gebracht aan het einde van de huurovereenkomst, maar is verkocht aan een derde. [gedaagde] mocht ervan uitgaan dat de verduistering van de auto (waarvan volgens [A] sprake is) door een compagnon niet mogelijk was omdat voor een overschrijving van de auto medewerking van de eigenaar nodig is. Het had dus op de weg gelegen van [eiseres] te onderzoeken waar de auto gebleven is en of er daadwerkelijk een wil heeft bestaan om de auto na afloop van de koopovereenkomst te verkopen. Omdat [eiseres] dat niet heeft gedaan kan zij volgens [gedaagde] geen aanspraak maken op de koopsom.
3.5.
De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of partijen een koopovereenkomst hebben gesloten voor de koop van de auto. Alleen in dat geval is namelijk de koopsom verschuldigd. Overeenkomsten komen tot stand door aanbod en aanvaarding. In dit geval ligt het aanbod besloten in de koopoptie die is opgenomen in de koopovereenkomst. De vraag is of [gedaagde] dat aanbod heeft aanvaard door gebruik te maken van de koopoptie. [gedaagde] hoeft daarvoor niet expliciet een beroep te hebben gedaan op de koopoptie. Voldoende is dat [eiseres] uit de feiten en gedragingen van [gedaagde] heeft op kunnen en mogen maken dat [gedaagde] gebruik wilde maken van de koopoptie en op basis daarvan er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen.
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] ervan uit mocht gaan dat [gedaagde] een beroep heeft gedaan op de koopoptie en dus er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat een koopovereenkomst tot stand was gekomen. [gedaagde] heeft de auto namelijk na afloop van de huurperiode niet ingeleverd en een medewerker van [gedaagde] heeft over de auto beschikt als ware hij eigenaar. Hij heeft de auto namelijk verkocht aan een derde. Dat veronderstelt de wens om door koop eigenaar te zijn geworden. Dat de betreffende medewerker (compagnon van [A] ) dat wellicht onbevoegd heeft gedaan maakt dat niet anders. Dat de betreffende medewerker dat heeft kunnen doen komt namelijk voor rekening en risico van [gedaagde] . [eiseres] heeft uitgelegd dat zij op de gang van zaken ook geen invloed heeft uit kunnen oefenen. Het gaat namelijk om een auto met een Belgisch kenteken. In België kent men kennelijk een ander systeem van eigendomsoverdracht van auto’s. Het enkele overhandigen van de auto is daarvoor voldoende. Om duidelijk te maken dat je rechthebbende van de auto bent is een aankoopbewijs nodig. De originele factuur heeft [eiseres] nooit gestuurd, dus die is voor de onderhavige overdracht niet gebruikt. [gedaagde] heeft er dus ten onrechte op vertrouwd dat wat is gebeurd niet zou kunnen gebeuren.
3.7.
Daar komt bij dat [gedaagde] ook uitvoering aan de koopovereenkomst heeft gegeven. In reactie op de verzoeken tot betaling van de koopsom reageert (de bestuurder van) [gedaagde] namelijk nooit weigerend. [A] mailt op 14 oktober 2024 aan [B] het volgende:
‘Uiteraard ben ik bereid deze kwestie op te lossen, echter ben ik op dit moment niet in staat om het volledige bedrag in één keer te voldoen.
Zoals eerder aangegeven, was ik verrast te vernemen dat de bereider van het voertuig dit heeft kunnen verkopen, omdat ik gewend ben dat hier dan ook een blokkade op zit.Graag zou ik met u in overleg treden om een betalingsregeling af te spreken, zodat ik het openstaande bedrag op een passende wijze kan voldoen.’.
[A] stelt daarnaast per e-mail van 18 oktober 2024 zélf een betalingsregeling voor de koopsom voor:
‘[...]Het is momenteel even krap maar de vooruitzichten zijn positief.Ik zou je willen verzoeken de eerste termijn op te mogen delen in 2 delen 1 nu direct (maak ik dan direct over, en stuur indien gewenst een betalingsbewijs hiervan) en een volgende maand eenzelfde bedrag, dus 2 keer € 6503,75.Het restant probeer ik zeker ook voor het einde van het jaar te hebben afgelost, alleen wil ik geen loze beloftes doen dus als we dit door kunnen schuiven naar einde Q1 2025 zou dit mij heel erg helpen, ik hoop dat jullie hierin mee willen/kunnen denken.’.
3.8.
Omdat [eiseres] er dus op mocht vertrouwen dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en die de koopovereenkomst deels is uitgevoerd (de auto is na het einde van de koopovereenkomst in de feitelijke macht van (een medewerker van) [gedaagde] gebleven en een deel van de koopsom is betaald), is [gedaagde] als contractspartij verantwoordelijk voor nakoming van de resterende verplichtingen uit de koopovereenkomst.
3.9.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] daarom tot betaling van € 19.511,25 aan [eiseres] , zijnde het restant van de koopsom inclusief BTW.
3.10.
Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is zij de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd. [eiseres] vordert deze rente vanaf de vervaldatum van de factuur van 21 oktober 2024. Maar deze factuur (nodig voor het bewijs van rechtmatig eigenaarschap in België) heeft [eiseres] naar eigen zeggen nooit naar [gedaagde] verstuurd omdat ze dat bewijs niet wilde overdragen voordat de koopsom volledig betaald is. [gedaagde] heeft alleen een pro forma factuur overgelegd voor het geval de koopsom volledig zou zijn voldaan (dat laatste is ook vermeld op deze factuur). Omdat wettelijke handelsrente wordt gevorderd te rekenen vanaf de factuurdatum en die factuur nog niet is verstuurd, kan die nog niet zijn gaan lopen met ingang van 21 oktober 2024. De gevorderde wettelijke handelsrente, vanaf 21 oktober 2024 tot en met 30 april 2025 ter hoogte van € 1.185,42 is daarom niet toewijsbaar.
3.11.
[eiseres] had een datum van verzuim moeten stellen (en onderbouwen), omdat partijen een betalingsregeling hebben getroffen. [eiseres] heeft dat niet gedaan en de kantonrechter gaat daarom voor de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente uit van de datum van de dagvaarding (28 april 2025). [gedaagde] moet de wettelijke handelsrente over de hoofdsom betalen met ingang van die datum tot de voldoening.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.12.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 970,11 worden toegewezen.
De proceskosten
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.804,35
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 19.511,25, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 28 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 970,11 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.804,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.