ECLI:NL:RBMNE:2025:5449

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
C/16/599552 / JE RK 25-1394
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens bedreigde ontwikkeling minderjarige en onrust thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds februari 2024 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij zijn moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft. De kinderrechter heeft op 1 oktober 2025 een zitting met gesloten deuren gehouden waarbij de moeder, vader, hun advocaten, vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling aanwezig waren.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat er sprake is van onrust in de thuissituatie. De gestelde doelen zijn nog niet behaald en er is onzekerheid over de leerbaarheid van de moeder, ondanks meerdere hulpverleningstrajecten. De moeder is aangemeld voor een persoonlijkheidsonderzoek, wat de kinderrechter van belang acht voor een beter inzicht in haar mogelijkheden en de passendheid van de hulpverlening.

Daarnaast is de omgang tussen de vader en de minderjarige minimaal, en de gecertificeerde instelling wordt opgedragen om duidelijkheid te scheppen over de thuissituatie van de vader en zijn opvoedmogelijkheden. De kinderrechter acht de verlenging van de ondertoezichtstelling passend en legt nadruk op het werken aan doelen uit het SAVE Evaluatie & Vervolgplan, gericht op het verbeteren van de opvoedvaardigheden en het creëren van een veilige opvoedsituatie zonder geweld.

De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling tot 3 november 2026 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 3 november 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/599552 / JE RK 25-1394
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.L.D. van Holland,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.H.J. Willemsen,
De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, is betrokken op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
  • een bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 26 september 2025;
  • een bericht van de moeder met bijlage, ontvangen op 26 september 2025;
  • een bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 29 september 2025;
  • een bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 29 september 2025.
1.2.
Op 11 juli 2025 heeft er een zitting plaatsgevonden waarin de machtiging tot uithuisplaatsing is besproken. De beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing is toen aangehouden, zodat het tegelijk met de verlenging van de ondertoezichtstelling behandeld kon worden. De verzoeken zijn dan ook tegelijk behandeld op 1 oktober 2025. De beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing is opgenomen in een aparte beschikking met zaaknummer C/16/594442 / JE RK 25-843.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [A] Pas en mevrouw [B] , namens de GI.
- mevrouw [C] , namens de Raad.
1.4.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 februari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst tot 3 november 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 juli 2025 heeft de kinderrechter de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder begrijpt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden.
4.2.
De vader begrijpt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden.

5.De beoordeling

Beslissing
5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd tot 3 november 2026. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat beslist.
Toelichting
5.2.
Uit de overgelegde stukken en het gesprek gevoerd tijdens de zitting volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. [1]
5.3.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De gestelde doelen zijn nog niet behaald en er is nog steeds sprake van onrust in de thuissituatie. Daarnaast kan op dit moment nog geen inschatting gemaakt worden over de leerbaarheid van de moeder. De GI twijfelt dan ook of er daadwerkelijk een gedragsverandering en groei in opvoedvaardigheden gaat plaatsvinden bij de moeder, ondanks de inzet van meerdere hulpverleningstrajecten. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij is aangemeld voor een persoonlijkheidsonderzoek. De kinderrechter vindt het van belang dat de moeder dit doorzet, zodat er een duidelijk beeld komt van haar mogelijkheden en dan kan er ook gekeken worden of de huidige hulpverlening passend is. Daarnaast ziet de kinderrechter dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] minimaal is. Om de zorgregeling uit te breiden zal de GI zich ervoor moeten inzetten om duidelijkheid te creëren over de (thuis)situatie van de vader en om zijn (opvoed)mogelijkheden in kaart te brengen.
5.4.
Gelet op alle onduidelijkheden, zorgen en onrust is de kinderrechter van oordeel dat een verlening van de ondertoezichtstelling passend. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI komend jaar aan de doelen uit het SAVE Evaluatie & Vervolgplan gaat werken. Dit gaat om de volgende doelen:
  • [minderjarige] heeft ouders die de signalen van hem op tijd zien en horen, deze op een goede manier duiden en interpreteren en daar op een passende manier op reageren;
  • [minderjarige] heeft ouders die in staat zijn om hem te troosten, gerust te stellen en te beschermen wanneer hij zich onveilig voelt, waarbij eigen emoties onder controle zijn of weggehouden worden;
  • [minderjarige] groeit op in een opvoedsituatie waarin er geen verbaal en/of fysiek geweld plaatsvindt tussen ouders en/of kinderen onderling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025 door
mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van I. Stooker als griffier, en op schrift gesteld op 14 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek.