ECLI:NL:RBMNE:2025:5303

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/3237
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 lid 1 onder d AWBArt. 6:6 onder a AWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken bezwaargronden tegen educatieve maatregel CBR

Eiser maakte bezwaar tegen een educatieve maatregel opgelegd door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) vanwege zijn rijgedrag. Het CBR verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen bezwaargronden had aangevoerd. Eiser had het mutatierapport ontvangen en kreeg twee weken de tijd om bezwaargronden in te dienen, maar deed dit niet.

De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser voldoende informatie had om inhoudelijk bezwaar te maken. Het beroep van eiser tegen deze beslissing werd daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen proceskostenvergoeding.

De uitspraak werd op 1 oktober 2025 mondeling uitgesproken door rechter J.A.J. Woutersen in Utrecht. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bezwaargronden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3237
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.A. van Biljouw),
en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 15 april 2025 waarin het CBR het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser geen bezwaargronden heeft aangevoerd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een educatieve maatregel die hij opgelegd heeft gekregen vanwege zijn rijgedrag (het primaire besluit).
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR. Eiser was niet aanwezig.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2. Een bestuursorgaan kan een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren als de bezwaarmaker nalaat aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit, de ‘bezwaargronden’. [1] Eiser heeft geen bezwaargronden ingediend. Eiser heeft naar aanleiding van het primaire besluit verzocht om het mutatierapport dat bij de mededeling van de politie aan het CBR over eisers rijgedrag zou moeten zitten. Dat rapport heeft eiser ontvangen en het CBR heeft eiser nog twee weken gegeven om bezwaargronden in te dienen. Eiser heeft alsnog geen gronden ingediend. Dat het onmogelijk zou zijn geweest om gronden in te dienen op basis van het dossier dat er lag, volgt de rechtbank niet. Eiser had voldoende stukken om inhoudelijk bezwaar te maken tegen het primaire besluit.
3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025 door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:5, eerste lid, onder d, jo. artikel 6:6, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.