In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een eiseres en een gedaagde, die een relatie hebben gehad en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De eiseres vordert het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel, en verzoekt de gedaagde de woning te verlaten. De gedaagde verzet zich tegen deze vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de eiseres.
De procedure begon met de betekening van de dagvaarding op 3 september 2025 aan de gedaagde, gevolgd door een zitting op 1 oktober 2025 waar beide partijen en hun advocaten aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen, waarbij de zorg voor het gezamenlijke kind van partijen een belangrijke rol speelde. De eiseres stelt dat zij de hoofdverzorger is en dat het voor het kind belangrijk is om in de vertrouwde omgeving te zijn.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat beide partijen een tijdelijk woonalternatief hebben, maar dat de eiseres in overwegende mate de zorg voor het kind draagt. Dit leidde tot de beslissing dat de eiseres gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning, met een termijn van 30 dagen voor de gedaagde om de woning te verlaten. De voorzieningenrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de eiseres kan terugkeren in de woning, ongeacht een eventueel hoger beroep. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.