ECLI:NL:RBMNE:2025:5271

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
598795
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot uitsluitend gebruik van de woning in kort geding na relatiebreuk

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een eiseres en een gedaagde, die een relatie hebben gehad en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De eiseres vordert het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel, en verzoekt de gedaagde de woning te verlaten. De gedaagde verzet zich tegen deze vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de eiseres.

De procedure begon met de betekening van de dagvaarding op 3 september 2025 aan de gedaagde, gevolgd door een zitting op 1 oktober 2025 waar beide partijen en hun advocaten aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen, waarbij de zorg voor het gezamenlijke kind van partijen een belangrijke rol speelde. De eiseres stelt dat zij de hoofdverzorger is en dat het voor het kind belangrijk is om in de vertrouwde omgeving te zijn.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat beide partijen een tijdelijk woonalternatief hebben, maar dat de eiseres in overwegende mate de zorg voor het kind draagt. Dit leidde tot de beslissing dat de eiseres gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning, met een termijn van 30 dagen voor de gedaagde om de woning te verlaten. De voorzieningenrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de eiseres kan terugkeren in de woning, ongeacht een eventueel hoger beroep. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Familierecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598795 / KG ZA 25-451
Vonnis in kort geding van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [plaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan,
tegen
[gedaagde],
wonend in [plaats 1] ,
gedaagde,
advocaat: mr. R. Bagasrawalla.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • de dagvaarding, die op 3 september 2025 aan [gedaagde] is betekend;
  • producties 1 en 2 van [gedaagde] , ontvangen op 26 september 2025.
1.2.
De zitting was op 1 oktober 2025. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Tijdens de zitting heeft mr. Bagasrawalla spreekaantekeningen voorgelezen.

2.Korte voorgeschiedenis

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad met elkaar. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: Woning).
2.2.
Begin augustus van dit jaar verbleef [gedaagde] enkele weken bij zijn moeder in [plaats 2] en bij een collega, waarna hij in de Woning is teruggekeerd. Op 17 augustus jl. verliet [eiseres] de Woning samen met de driejarige dochter van partijen. Zij verblijven op dit moment bij [eiseres] ouders in [plaats 3] . [gedaagde] is in de Woning achtergebleven.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis bepaalt:
  • dat zij bij uitsluiting is gerechtigd tot het gebruik van de Woning en de inboedel daarvan;
  • [gedaagde] beveelt de Woning te verlaten en deze niet meer te betreden;
  • haar machtigt het vonnis te laten uitvoeren met hulp van politie en justitie.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze af te wijzen.
3.3.
De voorzieningenrechter gaat hierna in op de stellingen van partijen, voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van de vorderingen.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen.
4.2.
Beide partijen hebben vanzelfsprekend belang bij het voorlopig bewonen van hun Woning. Ze zijn het erover eens dat zij niet langer samen onder een dak kunnen wonen. De voorzieningenrechter moet hun belangen daarom tegen elkaar afwegen. Tijdens de zitting bleek dat zij – overigens tot verbazing van de voorzieningenrechter – niet gesproken hebben over de mogelijkheid van
birdnesting.
4.3.
[eiseres] heeft verschillende argumenten aangedragen waarom haar belang in haar ogen zwaarder weegt dan dat van [gedaagde] . Zo stelt zij dat zij de hoofdverzorger van hun kind is en bij haar ouders een slaapkamer met haar deelt. Dat is geen ideale situatie, zoals wel vaker bij een scheiding, maar dit enkele feit is geen reden voor toewijzing van haar vorderingen.
Volgens [eiseres] is het ook belangrijk dat hun kind zo snel mogelijk terugkeert naar haar vertrouwde omgeving. De voorzieningenrechter kan het zich voorstellen dat het voor dochter prettig is in haar bekende ruimte te zijn, maar ook deze omstandigheid is op zichzelf geen reden voor toewijzing van de vorderingen.
Verder stelt [eiseres] dat deze situatie voor haar ouders emotioneel te belastend is. [gedaagde] betwist dit. Aangezien [eiseres] het psychische lijden van haar ouders niet nader heeft onderbouwd, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij.
4.4.
Volgens [eiseres] kan [gedaagde] ook bij een collega of zijn moeder verblijven. Daar heeft hij tenslotte al even gebivakkeerd (zie bij 2.2.). Ook kan hij volgens haar bij zijn vader terecht.
[gedaagde] voert aan dat zijn collega in een studio woont en bereid was hem eventjes op te vangen. Langer bij die collega verblijven is geen alternatief. Dit standpunt is niet door [eiseres] weersproken. Bij zijn moeder verblijven, is vanwege de afstand tot zijn werk in [plaats 4] praktisch ondoenlijk, aldus [gedaagde] . Dat ziet de voorzieningenrechter ook zo.
Dat [gedaagde] niet bij zijn vader kan verblijven, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet aannemelijk. Weliswaar voert [gedaagde] – met verwijzing naar een schriftelijke verklaring van zijn vader van 8 september 2025 – aan dat vader vanwege de gevolgen van een hersenbloeding geen prikkels meer aankan, maar tijdens de zitting is ook gebleken dat [gedaagde] urenlang met twee andere kinderen uit een vorige relatie bij zijn vader op bezoek gaat en blijft eten. Verder staat vast dat [gedaagde] zijn vader op de maandag met de dochter van partijen bezoekt. Dat een en ander prikkels voor vader oplevert, wil de voorzieningenrechter best aannemen, maar dit betekent zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat een tijdelijk verblijf van [gedaagde] bij zijn vader voor laatstgenoemde te zwaar is. Anders gezegd: [gedaagde] heeft [eiseres] stelling in onvoldoende mate betwist dat hij niet tijdelijk bij zijn vader kan verblijven.
4.5.
Het voorgaande brengt mee dat beide partijen een tijdelijk woonalternatief hebben: [eiseres] bij haar ouders en [gedaagde] bij zijn vader. Dat betekent niet dat [eiseres] ‘dus’ terug mag naar de Woning. Voor de voorzieningenrechter is van doorslaggevend belang dat [eiseres] in overwegende mate de zorg draagt voor het kind van partijen. Het is voor [gedaagde] makkelijker in zijn eentje bij zijn vader te verblijven en zijn dochter daar eens per week te ontvangen dan het voor [eiseres] is met kind en al tijdelijk bij haar ouders te wonen. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de vorderingen op de in het dictum te vermelden wijze zal toewijzen.
4.6.
De voorzieningenrechter zal de vordering over het gebruik van de inboedel toewijzen als onderdeel van de vordering tot het uitsluitend gebruik van de Woning, omdat [gedaagde] tegen dit onderdeel van de vordering geen (kenbaar) verweer heeft gevoerd.
4.7.
Uiteraard moet [gedaagde] enige tijd gegund worden om de Woning te verlaten. [eiseres] vordering bevat daartoe geen termijn, dus de voorzieningenrechter mag die zelf verzinnen. Hij zal deze termijn op 30 dagen stellen.
Inschakeling der ‘sterke arm’
4.8.
Deze vordering begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat [eiseres] een machtiging tot ontruiming wenst. De wet schrijft voor dat de gedwongen ontruiming gebeurt door een deurwaarder. Een machtiging aan [eiseres] om zelf te mogen zorgen voor de ontruiming, is hiermee in strijd. Als [gedaagde] de Woning niet zelf verlaat, dan zal [eiseres] na betekening van dit vonnis de deurwaarder in moeten schakelen om [gedaagde] daartoe te dwingen. Deze vordering zal worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.9.
De voorzieningenrechter zal zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Hij is van oordeel dat het, gelet op alle belangen, belangrijk is dat [eiseres] kan terugkeren in de Woning. Het eventueel instellen van hoger beroep mag dit niet doorkruisen.
Proceskosten
4.10.
[eiseres] vordert ten slotte “kosten rechtens”. Tijdens de zitting heeft mr. Ouwejan gezegd dat hiermee compensatie van de proceskosten wordt bedoeld. De voorzieningenrechter ziet geen reden anders te oordelen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
beslist dat [eiseres] gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de Woning en de inboedel daarvan, met bevel aan [gedaagde] die Woning binnen 30 dagen na de datum van dit vonnis moet verlaten en deze zonder toestemming van [eiseres] niet meer mag betreden,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.