Eiser maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Almere aan hem had opgelegd vanwege overtredingen van het bestemmingsplan, namelijk woningsplitsing en het gebruik van een bijgebouw als woning zonder vergunning.
De rechtbank stelde vast dat het college terecht handhavend optrad, omdat het gebruik van het bijgebouw als woning en de woningsplitsing in strijd waren met het Muziekwijk bestemmingsplan en het Chw bestemmingsplan. Eiser kon geen beroep doen op overgangsrecht of een omgevingsvergunning voor het appartement met eigen toegang.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de voortoetsen uit 2017 en 2019 en vermeende toezeggingen van een ambtenaar niet rechtvaardigden dat eiser mocht vertrouwen op toestemming voor het gebruik van het bijgebouw als woning of het realiseren van een zelfstandig appartement.
De rechtbank oordeelde dat handhaving niet onevenredig was, ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiser, omdat het algemeen belang bij handhaving zwaarder woog. Het verzoek om schadevergoeding wegens gemaakte verbouwingskosten werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de last onder dwangsom in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.