Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank Midden-Nederland stelt vast dat verweerder de in een eerdere uitspraak gestelde beslistermijn van 18 september 2024 heeft overschreden en nog geen besluit heeft genomen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. Omdat deze termijn in deze zaak is verstreken, moet verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen.
Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd met een maximum van € 15.000,-. Dit bedrag wijkt af van het hogere bedrag voorgesteld door de Afdeling vanwege het ontbreken van weigerachtigheid bij verweerder en het belang van eiser.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€ 453,50) en het betaalde griffierecht (€ 53,-). De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn op 9 juli 2025.