Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
- de officier van justitie: mr. C. Goedegebuure;
- de (gemachtigd) raadsman van de verdachte: mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel van €440.529,43 aan de Staat zou betalen. De veroordeelde was veroordeeld voor oplichting en het opzettelijk gebruik van valse of vervalste geschriften in de periode van 2018 tot 2019.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op drie hoofdfeiten: het gebruik van een valse corporate card, het sluiten van frauduleuze leaseovereenkomsten met twee bedrijven en het niet voldoen aan betalingsverplichtingen. De totale som is vastgesteld op €440.529,43, waarbij de rechtbank het ontnemingsrapport als uitgangspunt nam en geen betwisting van de veroordeelde ontving.
De rechtbank heeft ook de overschrijding van de redelijke termijn beoordeeld. De redelijke termijn begon op 19 september 2019 en werd overschreden met circa twee jaar, mede door de complexiteit van het dossier en de proceshouding van de verdediging. Daarom matigde de rechtbank de betalingsverplichting met €5.000, conform jurisprudentie, waardoor het te betalen bedrag op €435.529,43 werd vastgesteld.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is toegewezen maar nog niet voldaan, zodat deze niet in mindering is gebracht op het ontnemingsbedrag. De rechtbank legde tevens een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen vast voor het geval van niet-betaling.
Uitkomst: De veroordeelde moet €435.529,43 betalen aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.