Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaar van 9 december 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld op 5 juni 2024.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 30 juni 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder heeft reeds een dwangsom van € 1.442,- toegekend. Omdat het beroep gegrond is verklaard, wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 453,50 en het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres.