Eiser en gedaagde zijn in geschil over de nakoming van een aannemingsovereenkomst voor herstel en renovatie van een monumentale villa. Eiser stelt dat een vaste aanneemsom is overeengekomen en dat het werk snel moet worden afgerond, terwijl gedaagde betwist dat er een vaste prijs is en stelt dat de overeenkomst op regiebasis is. Daarnaast verschillen partijen van mening over de oorspronkelijke begroting, meerwerk en het reeds betaalde bedrag.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er te veel onduidelijkheden zijn over de inhoud van de overeenkomst en dat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen van eiser zal toewijzen. De uitleg van de overeenkomst, de omvang van meerwerk en het bedrag dat reeds is betaald zijn onduidelijk. Ook het spoedeisend belang is onvoldoende onderbouwd.
In reconventie vordert gedaagde betaling van openstaande facturen, maar ook deze vordering wordt afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang en onduidelijkheden over de overeenkomst en betalingen.
De voorzieningenrechter wijst daarom alle vorderingen af en veroordeelt partijen in elkaars proceskosten. Het vonnis is gewezen door C.A.J. van Yperen en uitgesproken op 18 september 2025.