Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de officier van justitie: mr. A. Dam;
- als raadsvrouw van de verdachte: mr. C.E. Hok-A-Hin;
- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
- de advocaat van de benadeelde partij: mr. P. van der Geest.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [3] van 27 april 2023 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:
proces-verbaal aangifte [4] van 27 april 2023 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:
proces-verbaal van bevindingen [5] van 27 april 2023 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
proces-verbaal van bevindingen [6] van 3 juni 2023 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
proces-verbaal van bevindingen [7] van 21 augustus 2023 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
proces-verbaal van bevindingen [8] van 7 mei 2023 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut aangaande het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Almere op 27 april 2023 [10] , van 14 september 2023, opgesteld door rapporteur dr. H. Mujčić, staat:
7.Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf en maatregel
- een rapport van de reclassering van 11 april 2025
- een e-mail van de reclassering van 18 juni 2025.
6.Vordering benadeelde partij
In onderhavig gevalbrengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij
zo voor de hand liggendat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud van de vordering benadeelde partij en hetgeen de benadeelde partij op zitting heeft toegelicht. De aantasting in de persoon betreft schade die het directe gevolg is van het handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Gelet op schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat 8.000,- euro wegens immateriële schade in dit geval billijk is. De rechtbank overweegt voorts dat thans nog onduidelijk of sprake is van overige schade, zoals gesteld, en zo ja, op welk bedrag die schade moet worden geschat. Het onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal dan ook de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij zich hiervoor kan wenden tot de burgerlijke rechter.
7.Toegepaste wetsartikelen
8.De beslissing
gevangenisstrafvan
42 (tweeënveertig) maanden;
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidvoor de duur van
5 (vijf) jaren;
De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.De totale duur van de vervangende hechtenis
bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden;
dadelijk uitvoerbaaris;