Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:4470

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
15 augustus 2025
Zaaknummer
16/016517-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen oplichting en diefstal

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 augustus 2025 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die samen met een mededader oplichting en diefstal pleegde in de periode van 21 juni tot 29 juli 2021.

De officier van justitie vorderde een bedrag van €22.876, waarvan de helft aan veroordeelde moest worden toegerekend als medepleger, zijnde €11.438. De verdediging voerde aan dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen wegens bepleite vrijspraak en onvoldoende bewijs van wederrechtelijk voordeel.

De rechtbank oordeelde dat de ontnemingsgrondslag ligt in de veroordeling voor medeplegen van oplichting en diefstal met valse sleutels. De opbrengsten uit de strafbare feiten werden gelijkelijk toegerekend aan veroordeelde en zijn mededader. Vergoedingen aan benadeelden worden pas in mindering gebracht indien voldaan.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €11.438 en legde veroordeelde de betalingsverplichting aan de Staat op. Tevens werd de maximale gijzelingstermijn vastgesteld op 457 dagen. Het vonnis werd op 15 augustus 2025 gewezen door de meervoudige kamer.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €11.438 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/016517-23 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 augustus 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde],
Geboren op [1999] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van wat mr. Z. Boufadiss, advocaat in Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie van 2 juli 2025 strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 22.876,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De officier van justitie heeft op de zitting aangevoerd dat de veroordeelde dit voordeel samen met zijn mededader heeft verkregen. De veroordeelde moet als medepleger worden aangemerkt en dus moet de helft van de vordering ten aanzien van de veroordeelde worden toegewezen, te weten een bedrag van € 11.438,00.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de veroordeelde heeft allereerst verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is waaruit blijkt dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de ten laste gelegde feiten. Ook brengt de verdediging naar voren dat het volgens haar niet mogelijk is om zowel de vorderingen van de benadeelde partijen als de ontnemingsmaatregel toe te wijzen.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. De omvang van de vordering wordt bepaald aan de hand van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
De veroordeelde is bij vonnis van 15 augustus 2025 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
t.a.v. feit 1 primair: medeplegen van oplichting, meerdere malen gepleegd;
t.a.v. feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meerdere malen gepleegd;
in de periode van 21 juni 2021 tot en met 29 juli 2021.
3.2
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. [1]
In de periode van 21 juni 2021 tot en met 29 juli 2021 heeft de veroordeelde samen met zijn mededader bankhelpdeskfraude gepleegd. Zij hebben uit deze strafbare feiten meerdere geldbedragen ontvangen, in totaal € 22.876,00. Daarmee hebben zij wederrechtelijk voordeel genoten.
3.3
Toerekening van het voordeel
Uit het procesdossier blijkt dat veroordeelde de oplichting en diefstal met valse sleutel steeds heeft gepleegd samen met een andere dader. Dat er meer dan twee daders bij betrokken zijn blijkt daaruit niet. Over een verdeling van de bedragen die zijn buitgemaakt blijkt niets uit het dossier. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het totale gestolen bedrag gelijkelijk is verdeeld over veroordeelde en zijn mededader. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom voor de helft toegerekend aan de veroordeelde, dat wil zeggen voor het bedrag van € 11.438,00.
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met een eventuele veroordeling tot vergoeding van schade van de benadeelde partij en deze bedragen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen. De rechtbank oordeelt als volgt.
In de hoofdzaak zijn door de rechtbank de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde] en de Volksbank N.V. toegewezen. De bedragen die veroordeelde aan de benadeelden moet betalen leiden pas tot vermindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel als zij daadwerkelijk zijn voldaan (artikel 36e lid 9 Sr). De nog te betalen vergoedingen aan de benadeelde partijen worden daarom niet op voorhand afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover de in de strafzaak toegekende vorderingen van de benadeelde partijen worden voldaan, zal daar in de executiefase van de ontnemingszaak rekening mee kunnen worden gehouden.
Gelet op het voorgaande schat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 11.438,00.
3.4
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de Staat, vast op € 11.438,00.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.438,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.438,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 457 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Könning, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict” opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, rapportnummer 20022315129883 (pagina 320 tot en met 324).