Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren vanwege het niet volledig meewerken aan een cursus over verantwoord rijgedrag. Het CBR had het rijbewijs ongeldig verklaard met ingang van 4 juli 2025. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter toetste het verzoek en constateerde dat het griffierecht van €194,- niet binnen de gestelde termijn was betaald. De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 11 juli 2025 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen, welke brief op 17 juli 2025 was afgehaald. Verzoeker had echter geen betaling verricht en ook geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelde het verzoek niet inhoudelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.