Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:4454

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 augustus 2025
Publicatiedatum
14 augustus 2025
Zaaknummer
C/ 16/596637 / JE RK 25-1104
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 7.3.11 lid 4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onduidelijke thuissituatie

De kinderrechter van Rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 augustus 2025 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van zes maanden, tot 11 februari 2026. Dit volgt op een eerdere voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind.

De minderjarige was sinds april 2025 niet naar school gegaan en de moeder vertoonde verward gedrag, wat leidde tot een zorgmelding. Na een periode van uithuisplaatsing bij een tante is het kind weer teruggeplaatst bij de moeder, maar de situatie blijft onduidelijk en bedreigend voor de ontwikkeling van het kind. De moeder werkt onvoldoende mee aan het delen van medische informatie, wat de noodzakelijke regie door de gecertificeerde instelling belemmert.

De kinderrechter wijst op artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet, die hulpverleners verplicht om informatie te verstrekken aan de gecertificeerde instelling zonder toestemming van de betrokkenen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct ingaat, ook bij hoger beroep. Het doel is het waarborgen van een veilige en stabiele opvoedomgeving waarin het kind zich goed kan ontwikkelen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor zes maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/596637 / JE RK 25-1104
Datum uitspraak: 11 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, [.] ,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[belanghebbende 2],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te [.] ,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft op 14 juli 2025 een verzoekschrift met bijlagen, ontvangen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • meneer [A] namens de Raad;
  • mevrouw [B] namens de GI.
1.3.
De vader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
1.4.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter gelijk de beslissing op het verzoek genomen. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
[minderjarige (voornaam)] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2025 [minderjarige (voornaam)] voorlopig onder toezicht gesteld tot 13 augustus 2025. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige (voornaam)] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin voor de duur van vier weken. Deze is daarna verlengd tot 1 juli 2025.

3.Het verzoek van de Raad

De Raad verzoekt [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Wat vindt de moeder?
4.1.
De moeder heeft op de zitting verklaard dat zij een ondertoezichtstelling niet nodig vindt.
Wat vindt de vader?
4.2.
Uit het schriftelijke verzoek van de Raad blijkt dat de vader instemt met het verzoek van de Raad.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter stelt [minderjarige (voornaam)] onder toezicht voor de duur van zes maanden, dus tot 11 februari 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
5.2.
Op grond van artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen als het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat het de ouder(s) niet lukt om de hulp die nodig is om de bedreiging weg te nemen, te organiseren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor het kind weer zelf kunnen dragen. De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen totdat hij of zij meerderjarig is.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.4.
Op 13 mei 2025 is een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op dat moment bestonden er grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] bij haar moeder. [minderjarige (voornaam)] was sinds begin april 2025 niet meer naar school geweest en haar moeder had bij verschillende hulpverleners een zeer verwarde indruk gemaakt. Daarop heeft de politie een zorgmelding bij Veilig Thuis gedaan. Er zijn veiligheidsafspraken met de moeder gemaakt, maar deze zijn door haar niet nagekomen. De moeder is daarna volledig uit contact gegaan, ook met de vader van [minderjarige (voornaam)] . Vanwege de grote zorgen is [minderjarige (voornaam)] toen bij haar tante (moederszijde) geplaatst.
5.5.
Op 27 juni 2025 heeft een zitting plaatsgevonden over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige (voornaam)] woonde toen bij haar tante (moederszijde) en het ging daar goed met haar. Zij ging ook weer naar school en had goed contact met haar moeder. Tijdens de zitting maakte de moeder een stabiele indruk. Het netwerk, dat de moeder goed kent en het belang van [minderjarige (voornaam)] vooropstelt, vond dat [minderjarige (voornaam)] kon worden teruggeplaatst bij haar moeder. De kinderrechter was het hiermee eens, mede omdat er voldoende toezicht en controle aanwezig was. Zowel de GI, de Raad, de opa (moederszijde), de tante (moederszijde) als de vader waren nauw betrokken. Sinds 1 juli 2025 woont [minderjarige (voornaam)] daarom weer thuis bij haar moeder.
5.6.
[minderjarige (voornaam)] wordt op dit moment nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Zij woont sinds een aantal weken weer bij haar moeder, maar het is voor de GI en de kinderrechter nog onduidelijk met welke persoonlijke problematiek de moeder kampt en waardoor [minderjarige (voornaam)] wekenlang niet naar school is gegaan en de moeder het contact met haar netwerk heeft verloren.
5.7.
Het is noodzakelijk, in het belang van [minderjarige (voornaam)] , dat er zicht komt op haar opvoedsituatie en op de vraag of de moeder in staat is de juiste keuzes te maken en het belang van [minderjarige (voornaam)] voorop kan stellen. Verder is van belang dat voor [minderjarige (voornaam)] duidelijk wordt wat er de afgelopen maanden is gebeurd, waarom zij uit huis geplaatst is en vervolgens weer is teruggeplaatst, en dat er zicht komt op de geestelijke gesteldheid van de moeder. Deze duidelijkheid is nodig om te kunnen beoordelen of de thuissituatie voor [minderjarige (voornaam)] stabiel en veilig genoeg is om zich goed te kunnen ontwikkelen.
5.8.
De moeder heeft op de zitting verklaard dat zij bij [instelling] een formulier heeft ingevuld waarmee zij toestemming geeft om haar medische gegevens te delen met de GI. De GI heeft echter verklaard deze gegevens tot op heden niet te hebben ontvangen. Hierdoor ontbreekt het aan een overkoepelend overzicht van de geestelijke gesteldheid van de moeder en wordt de noodzakelijke regie belemmerd. De gezinsvoogd is bij uitstek de persoon die in het belang van [minderjarige (voornaam)] het overzicht moet hebben en de regie moet voeren. De kinderrechter wijst alle betrokken hulpverleners en met name de medisch specialisten onder hen uitdrukkelijk op de volgende wettelijke bepaling.
Artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet
“Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep”.
5.9.
Op grond hiervan wijst de kinderrechter de betrokken hulpverleners en met name de medisch specialisten onder hen er uitdrukkelijk op dat het in eerste instantie aan de gezinsvoogd is om te beoordelen welke inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en niet aan de desbetreffende specialisten. Als een gezinsvoogd informatie vraagt, kan men er van uit gaan dat hij/zij die nodig heeft voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Anders zou de gezinsvoogd die informatie niet vragen. De hulpverleners zijn dus verplicht de door de gezinsvoogd opgevraagde medische informatie te verstrekken. De kinderrechter heeft dit al herhaalde malen in gepubliceerde uitspraken uiteengezet, maar kennelijk dringt het niet door. Bij deze dus nogmaals.
Het gedwongen kader is noodzakelijk
5.10.
De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ontwikkelingsbedreiging in het vrijwillig kader kan worden weggenomen. Net als de Raad is de kinderrechter bezorgd over de risico’s wanneer er geen gedwongen kader is. Onzeker is immers of de moeder vrijwillige hulpverlening zal aanvaarden, voldoende inzicht heeft in de risico’s van een herhaalde psychische decompensatie en begrijpt welk effect dit kan hebben op [minderjarige (voornaam)] .
De doelen van de ondertoezichtstelling
5.11.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er binnen de ondertoezichtstelling wordt gewerkt aan de volgende doelen;
- [minderjarige (voornaam)] groeit op in een veilige, stabiele opvoedomgeving waarin haar ouders
haar sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling voldoende stimuleren;
- [minderjarige (voornaam)] heeft ouders die zowel fysiek- als emotioneel beschikbaar zijn voor
haar;
- [minderjarige (voornaam)] volgt onderwijs op school en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat
waarbij moeder meewerkt aan het schooltraject, inschrijft voor
sport/hobby’s en de inschrijving op een BSO voortzet;
- [minderjarige (voornaam)] krijgt duidelijkheid over haar korte uithuisplaatsing en terugplaatsing
door middel van hulpverlening;
- [minderjarige (voornaam)] wordt niet belast met de onderlinge spanningen tussen de
volwassenen binnen het netwerk en kan ontspannen omgang hebben met
vader waarbij het ouderschapsplan wordt nageleefd, en kan het contact
met tante (m.z.) voortzetten zoals dit altijd ging middels logeren en
oppassen etc.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige (voornaam)] onder toezicht van Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 11 augustus 2025 tot 11 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2025 door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, in aanwezigheid van E.A.G. Mosch als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.