Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van straatwerk bij de inrit van een woning aan een adres in een Nederlandse plaats. Na een tussenuitspraak op 1 april 2025 waarin motiveringsgebreken aan het besluit van het college werden vastgesteld, heeft het college een aanvullende motivering ingediend om deze gebreken te herstellen.
De rechtbank beoordeelde dat het college met de aanvullende motivering de geconstateerde gebreken rondom het gelijkheidsbeginsel en de beoordeling van de aantasting van het openbaar groen voldoende heeft hersteld. Eisers voerden onder meer aan dat de situaties bij andere adressen vergelijkbaar waren en dat het openbaar groen onaanvaardbaar werd aangetast, maar de rechtbank oordeelde dat er feitelijke en juridische verschillen zijn die het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet doen slagen en dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen sprake was van onaanvaardbare aantasting.
Verder werd een nieuwe beroepsgrond over medische gegevens afgewezen omdat deze niet in de tussenuitspraak aan de orde was gesteld. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de gebreken zijn hersteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en reiskosten aan eisers.