In deze zaak vorderen eiser en eiseres opheffing van het maritaal beslag dat door gedaagde is gelegd op de inhoud van een safeloket op naam van eiser. Het beslag was gelegd op grond van een vermeende gemeenschap van goederen tussen partijen, maar de rechtbank had eerder geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime Turks recht is, waarbij sprake is van persoonlijk vermogen en verwervingen, en geen gemeenschap van goederen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag niet is gelegd op gemeenschappelijke goederen, maar op persoonlijk vermogen, waardoor het beslag van rechtswege vervalt. De primaire vordering tot opheffing van het beslag wordt toegewezen. De vorderingen van gedaagde tot beschrijving, beoordeling en afgifte van goud uit het safeloket worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat het goud tot het verwervingsvermogen van eiser behoort.
Ook de voorwaardelijke vordering tot afgifte van goud ter waarde van € 7.000,- wordt afgewezen, aangezien dit bedrag is toegekend aan de vader van de nicht van eiser en niet tot het vermogen van eiser behoort. Partijen zijn overeengekomen dat € 17.000,- uit het safeloket via deurwaarder aan gedaagde wordt overgedragen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.