Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:4077

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
11247653
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering huurverhoging wegens onvoldoende onderbouwing door eiser

Deze civiele procedure betreft de vraag of gedaagden de huurverhoging per 1 juli 2023 moeten betalen waarop eiser aanspraak maakt. Eiser heeft meerdere malen de gelegenheid gekregen om de berekening van de huurverhoging te onderbouwen, maar slaagt er niet in een correcte en navolgbare berekening te overleggen.

De kantonrechter constateert dat eiser in zijn berekening onjuiste variabelen gebruikt, zoals het toepassen van het jaarprijsgemiddelde in plaats van het maandprijsindexcijfer en het indexeren vanaf een verkeerd basisjaar. Ook ontbreekt een duidelijke onderbouwing van welke maand van de consumentenprijsindex moet worden gehanteerd, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe.

Gedaagde partijen betwisten de rekenwijze en wijzen op het ontbreken van juiste aanzegging, maar de kantonrechter oordeelt dat de aanzegging niet vereist was vanwege het indexeringsbeding in de huurovereenkomst. Omdat de correcte hoogte van de huurverhoging niet kan worden vastgesteld, worden de vorderingen van eiser afgewezen.

De nevenvorderingen worden eveneens afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder een vergoeding van € 50,- aan gedaagde voor gemaakte verletkosten. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat dit niet is verzocht.

Uitkomst: De vordering tot huurverhoging per 1 juli 2023 wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11247653 \ UC EXPL 24-5259
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende in [woonplaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen in mannelijk enkelvoud: [gedaagde sub 1] c.s.,
procederend in persoon van gedaagde sub 1.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 april 2025,
- de akte van [eiser] van 13 mei 2025,
- de akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 27 mei 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Deze procedure gaat over de vraag of [gedaagde sub 1] c.s. de huurverhoging per 1 juli 2023 waar [eiser] aanspraak op maakt, moet betalen.
2.2.
In het tussenvonnis van 12 februari 2025 heeft de kantonrechter [eiser] de gelegenheid gegeven om een akte te nemen om daarin te onderbouwen hoe hoog het CPI percentage was waarmee hij per 1 juli 2023 de huur van [gedaagde sub 1] c.s. mocht verhogen. [eiser] heeft vervolgens een berekening overgelegd, maar hierbij heeft hij de verkeerdere variabelen gebruikt. De kantonrechter heeft [eiser] vervolgens in het tussenvonnis van 16 april 2025 nogmaals de gelegenheid gegeven om de huurprijsverhoging te onderbouwen.
2.3.
[eiser] heeft na dit tweede tussenvonnis een nieuwe berekening als onderbouwing van zijn vordering overgelegd. Uit deze berekening volgt volgens [eiser] dat hij de huur, conform de indexatie uit huurovereenkomst, had mogen verhogen tot boven de gevorderde verhoging van € 939,32. De huur was bij het aangaan van de huurovereenkomst ƒ 1.700,00 (€ 771,43). Wanneer de huur vanaf het aangaan van de huurovereenkomst was geïndexeerd in lijn met de consumentenprijsindex die volgens de huurovereenkomst gebruikt zou moeten worden, zou de huur volgens [eiser] in 2023 € 1.662,61 bedragen.
2.4.
In zijn antwoordakte zegt [gedaagde sub 1] c.s. dat de rekenwijze van [eiser] onnavolgbaar is. Basisjaren worden volgens hem door elkaar gebruikt en indexeringen op elkaar gestapeld. De indexering wordt nu toegepast vanaf 1996, terwijl volgens hem uit de huurovereenkomst duidelijk blijkt dat dit niet de bedoeling is geweest. [eiser] heeft ook niet aangegeven welke maand van de consumentenprijsindex gebruikt moet worden, terwijl de kantonrechter wel aan [eiser] heeft gevraagd om dit te onderbouwen. Als laatste zegt [gedaagde sub 1] c.s. nogmaals dat de huurverhoging niet op de juiste manier is aangezegd.
2.5.
Wat betreft de onjuiste aanzegging van de huurverhoging heeft de kantonrechter in het vorige tussenvonnis al geoordeeld dat [eiser] [gedaagde sub 1] c.s. niet had hoeven inlichten over de huurverhoging, omdat in de huurovereenkomst een indexeringsbeding staat.
2.6.
[eiser] komt in zijn berekening uit op een huurprijs van € 1.662,61 per maand, maar deze berekening klopt niet. [eiser] gaat uit van het jaarprijsgemiddelde in plaats van het maandprijsindexcijfer zoals in de huurovereenkomst is afgesproken. Daarnaast indexeert [eiser] de in 2021 overeengekomen huurprijs met ingang van 1996, terwijl in de huurovereenkomst staat dat de huur op 1 augustus 2001 ingaat en voor het eerst geïndexeerd wordt na 1 mei 2002. De huur tot 1 juli 2023 was € 853,93, dus er is na aanvang van de huur wel degelijk geïndexeerd. Dat dat niet conform de huurovereenkomst is gebeurd is gesteld noch gebleken. Tot welke verhoging een correcte berekening zou leiden is niet vast te stellen. In de huurovereenkomst is niet vastgelegd van welke maand moet worden uitgegaan bij de indexering met het maandprijsindexcijfer. [eiser] heeft – ondanks dat hij daartoe in het tweede tussenvonnis uitdrukkelijk is uitgenodigd- niet toegelicht op basis van welke maand eerdere huurverhogingen zijn doorgevoerd. Omdat toepassing van verschillende maanden tot verschillende uitkomsten leidt, kan de kantonrechter niet vaststellen welke huurverhoging zou zijn verschuldigd op grond van de huurovereenkomst en [eiser] dus niet volgen in zijn standpunt dat een verhoging tot € 939,32 sowieso verschuldigd is. Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
2.7.
Omdat de hoofdvordering van [eiser] wordt afgewezen, worden de nevenvorderingen ook afgewezen.
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zich niet laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en hij heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake is geweest van kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent. [gedaagde sub 1] c.s. is wel verschenen bij de mondelinge behandeling op 15 oktober 2024. Het is aannemelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. hiervoor kosten heeft gemaakt (verletkosten). Deze kosten worden door de kantonrechter begroot op € 50,00 en zullen door [eiser] betaald moeten worden.
2.9.
De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
De beslissing wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart, omdat [gedaagde sub 1] c.s. dat niet gevraagd heeft.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van de betekening betalen,
3.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro
Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.
62938