Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 9 april 2024 van [eiseres] met producties 1 tot en met 14;
- de incidentele conclusie houdende een provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro van [gedaagde] met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord in incident van [eiseres] met producties 15 tot en met 19;
- de akte uitlaten producties van [gedaagde] van 15 mei 2024;
- de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde] van 3 juli 2024 met producties 5 tot en met 13;
- het vonnis in incident van 31 juli 2024;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van [eiseres] van
- het bericht van de rechtbank van 2 oktober 2024 naar aanleiding van correspondentie tussen partijen dat de alinea’s/randnummers die in de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie zien op het geschil in conventie, waaronder het verrekeningsverweer, buiten beschouwing worden gelaten;
- de akte overlegging producties 20 tot en met 22 van [eiseres] van 3 december 2024;
- de overlegging van producties 14 tot en met 15 van [gedaagde] van 9 december 2024;
- de op 17 december 2024 door [gedaagde] op verzoek van de rechtbank op voorhand ingediende spreekaantekeningen;
- de op 17 december 2024 door [eiseres] op verzoek van de rechtbank op voorhand ingediende spreekaantekeningen.
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van het geschil
4.De beoordeling
- a) Factuur 20230055 d.d. 21 oktober 2023 ter hoogte van € 1.500,00 exclusief BTW (€ 1.815,00 inclusief BTW) voor de maandelijkse vergoeding van september 2023 die [onderneming 1] vergeten was om te factureren.
- b) Factuur 20230056 d.d. 21 oktober 2023 voor schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de overeenkomst, gelijk aan twee maanden omzetderving van (na een wijziging in de spreekaantekeningen) in totaal
- daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en/of
- een bepaalde opzegtermijn in acht is genomen en/of
- de opzegging gepaard gaat met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.
‘ [eiseres] heeft een belangrijke voorwaarde bij verlofverlening niet nageleefd’.
[eiseres] is nooit eigenaar geworden van de gepretendeerde vorderingen’.
[eiseres] had op de datum van verlofverlening en beslagleggingen geen vorderingsrechten jegens [gedaagde] (verkregen).
‘ [eiseres] maakte misbruik door conservatoir beslag op de handelsvoorraad van [gedaagde] te leggen zonder een daartoe verleend verlof’.
de motorvoertuigen (waaronder personenauto’s) die op naam van [gedaagde] zijn geregistreerd.’ Zoals de rechtbank in haar vonnis in incident heeft overwogen, is in 5.5 van het Verzoekschrift weliswaar vermeld dat [eiseres] de voorzieningenrechter verzoekt verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op ‘Vier motorvoertuigen (waaronder personenauto’s) die op naam van [gedaagde] zijn geregistreerd’, maar dat is uiteindelijk niet zo gevorderd.
‘De conservatoire beslagen zijn niet proportioneel, ook omdat [onderneming 1] slechts een vordering van € 2.139,00 exclusief BTW op [gedaagde] heeft.’
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 614,00(1,0 punt x tarief € 614,00)
- dagvaarding € 112,37
- griffierecht € 2.201,00 (€ 2.889,00 – € 688,00)
- nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
salaris advocaat € 1.842,00(2 punten x tarief € 614,00 en 2 punten x