ECLI:NL:RBMNE:2025:4049
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek billijke vergoeding na ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid
De werknemer was sinds mei 2019 in dienst bij de werkgever, een scholengroep voor voortgezet onderwijs, en werd na langdurige arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV ontslagen. De werknemer vorderde een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro omdat hij meende dat het ontslag het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
De werknemer stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid was veroorzaakt door onvoldoende aandacht voor een klacht over discriminatie en onterechte kritiek op zijn gedrag door zijn leidinggevende. De werkgever betwistte dit en stelde dat de arbeidsongeschiktheid mede medische oorzaken had en dat zij voldoende had gedaan aan re-integratie en het behandelen van de klacht.
De kantonrechter oordeelde dat niet aannemelijk was dat de arbeidsongeschiktheid uitsluitend door de werkomstandigheden was veroorzaakt. De werkgever had voldoende hoor en wederhoor toegepast bij de klachtbehandeling en had conform de adviezen van de bedrijfsarts gehandeld bij de re-integratie. Er was geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vastgesteld.
Daarom werd het verzoek om een billijke vergoeding afgewezen. De kantonrechter veroordeelde de werknemer in de proceskosten en bepaalde dat de werkgever het griffierecht van de werknemer vergoedt.
Uitkomst: Verzoek om billijke vergoeding wegens ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen.