ECLI:NL:RBMNE:2025:4024

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
11722917 \ UV EXPL 25-134 VL/58599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 437 SrArt. 2:67 APV NieuwegeinArt. 7:309 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering gemeente wegens onvoldoende tekortkoming huurder

De gemeente verhuurt een winkelruimte aan een huurder die een telefoonreparatie- en verkoopwinkel exploiteert. De gemeente vordert ontruiming omdat de huurder het verkoopregister onvoldoende bijhoudt en bezoekers parkeeroverlast veroorzaken.

De kantonrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of de vordering in een bodemprocedure kans van slagen heeft. De gemeente stelt dat zij als openbaar orgaan de openbare orde moet handhaven en ondermijnende criminaliteit wil voorkomen, maar de kantonrechter beschouwt de gemeente als normale verhuurder voor deze civielrechtelijke procedure.

Uit het bewijs blijkt dat de huurder niet volledig voldoet aan de registratieplicht van telefoons, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat hij gestolen telefoons verkoopt. Ook is onvoldoende vastgesteld dat zijn klanten parkeeroverlast veroorzaken. De kantonrechter concludeert dat de tekortkomingen niet ernstig genoeg zijn om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming te rechtvaardigen.

De vorderingen worden afgewezen en de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de huurder.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11722917 \ UV EXPL 25-134 VL/58599
Vonnis in kort geding van 4 juli 2025
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Knol en mr. E.C. Homveld,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Wierenga.

1.De procedure

1.1.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 6 juni 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald, waaraan voorafgaan [gedaagde] producties heeft overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2025 plaatsgevonden. Namens [eiseres] was [A] aanwezig, vergezeld door collega’s [B] , [C] , [D] en [E] , en bijgestaan door mrs. Knol en Homveld. [gedaagde] was aanwezig, vergezeld door zijn zus [F] en bijgestaan door mr. Wierenga. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hierbij gebruik gemaakt van hun spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] verhuurt aan [gedaagde] de winkelruimte aan de [straat] [mummer/letter] te [plaats] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] exploiteert hierin zijn winkel ‘ [handelsnaam] ’; een winkel die gespecialiseerd is in de reparatie en verkoop van telefoons. Volgens [eiseres] gedraagt [gedaagde] zich niet als goed huurder, omdat hij het verkoopregister van zijn winkel niet althans onvoldoende heeft bijgehouden en omdat zijn bezoekers parkeeroverlast veroorzaken. [eiseres] wil daarom dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af.

3.De beoordeling

Wettelijk kader
3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen.
Spoedeisend belang
3.2.
[eiseres] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft, omdat het onwenselijk is dat in haar bedrijfspand bestuurs- en/of strafrechtelijke overtredingen plaatsvinden, in die zin dat [gedaagde] zijn administratieplicht verzuimt en wellicht handelt in gestolen telefoons. Dit tast de leefbaarheid en rust in de wijk aan, aldus [eiseres] . [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat [eiseres] eigenlijk een ander belang heeft bij haar vordering. [eiseres] heeft het gehuurde nodig voor het realiseren van woningbouw, vanwege herontwikkeling van de locatie. [eiseres] heeft de huur opgezegd per 31 december 2025 en is aan [gedaagde] een schadeloosstelling verschuldigd [1] . Via dit kort geding probeert de gemeente onder deze schadeloosstelling uit te komen, aldus [gedaagde] .
3.3.
De kantonrechter merkt op dat inderdaad vraagtekens gezet kunnen worden bij het primaire belang van [eiseres] . Zo heeft [eiseres] ter zitting aangegeven dat, als [gedaagde] in het kader van de onderhandelingen over de schadeloosstelling zijn jaarcijfers had overgelegd, we ‘hier nu niet hadden gezeten’. Dat de werkelijke intentie van [eiseres] is om onder de schadeloosstelling uit te komen, is echter niet komen vast te staan. Voor het aannemen van spoedeisend belang is voldoende dat wordt gekeken naar de stelling van [eiseres] . Mocht komen vast te staan dat [gedaagde] inderdaad strafbare feiten pleegt in het gehuurde, dan zou [eiseres] een spoedeisend belang hebben bij ontruiming. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiseres] daarom inhoudelijk beoordelen.
Publiek- versus privaatrecht
3.4.
Op grond van artikel 437 van Pro het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:67 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Nieuwegein (hierna: APV) is [gedaagde] verplicht om alle gekochte telefoons te registreren in een opkopersregister. Voor de [eiseres] is dat het Digitaal Opkopers Register (hierna: het DOR).
3.5.
[eiseres] stelt dat haar (privaatrechtelijke) vordering tot ontruiming van het gehuurde volledig los moet worden gezien van het (publiekrechtelijk) traject waarin zij aan [gedaagde] dwangsommen heeft opgelegd. De dwangsommen zijn opgelegd omdat [gedaagde] zijn telefoons niet – en later niet allemaal – in het DOR had geregistreerd. De kantonrechter is van oordeel dat het lastig is om de vordering tot ontruiming volledig los te zien van het publiekrecht, omdat [eiseres] haar vordering onderbouwt door te onderstrepen dat zij als gemeente een bijzondere positie heeft; zij moet de openbare orde handhaven en ondermijnende criminaliteit voorkomen. Om tot een puur civielrechtelijke beoordeling te kunnen komen, zal de kantonrechter de bijzondere positie van [eiseres] als publiekrechtelijk orgaan buiten beschouwing laten en [eiseres] , zoals zij zelf heeft verzocht, beschouwen als ‘normale’ verhuurder.
[gedaagde] hoeft zijn winkelruimte nu niet te ontruimen
3.6.
De kantonrechter stelt voorop dat een ontruiming, zonder de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten, zeer ingrijpende en vrijwel niet terug te draaien gevolgen zal hebben voor [gedaagde] . Om in kort geding tot toewijzing van deze vordering te kunnen komen, moet een grote mate van zekerheid bestaan dat de bodemrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden en de vordering tot ontruiming zal toewijzen.
3.7.
Op grond van de wet [2] is [eiseres] bevoegd de huurovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden als [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, tenzij deze tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis van deze tekortkoming.
DOR registraties
3.8.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] , vanaf de start van zijn winkel in 2021, niet (geheel) voldeed aan de registratieplicht zoals omschreven in de APV. Voor deze overtreding heeft [eiseres] aan [gedaagde] dwangsommen opgelegd. Bij een controle op 18 april 2025 door BOA’s en de politie, is vervolgens geconstateerd dat [gedaagde] het DOR nu wel gebruikt, maar dat hierin 21 telefoons stonden geregistreerd, terwijl er slechts 13 telefoons in de winkel aanwezig waren. Daarbij was één telefoon niet geregistreerd. Deze is in beslag genomen, maar is later door de politie weer teruggegeven aan [gedaagde] .
3.9.
[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat het bijhouden van het DOR een tijdrovende bezigheid is en dat hij nog zoekende is naar de beste manier om de vijftiencijferige codes van de telefoons zonder typefouten in te voeren. [gedaagde] stelt dat hij wel van alle telefoons bijhoudt van wie hij deze koopt, door een foto te maken van de telefoon en het identiteitsbewijs van de verkoper. Daarbij controleert hij altijd of de telefoon niet als gestolen staat geregistreerd, aldus [gedaagde] . [eiseres] heeft dit niet betwist.
3.10.
De kantonrechter overweegt dat op geen enkele manier is komen vast te staan dat [gedaagde] daadwerkelijk gestolen telefoons heeft verkocht. De vergelijking door [eiseres] met de aanwezigheid van hennepkwekerijen is naar het oordeel van de kantonrechter onnodig grievend. Anders dan hennepkwekerijen heeft de onzorgvuldige in- en verkoopadministratie van tweedehands telefoons bijvoorbeeld geen onmiddellijke veiligheidsrisico’s, zoals brandgevaar of het risico op een (gewelddadige) diefstal. Ook is het hebben van een hennepkwekerij qua strafbaarstelling en strafmaat van andere orde dan het schenden van de genoemde administratieplicht. Natuurlijk is het belang van bestrijding van ondermijnende criminaliteit wezenlijk en is het begrijpelijk dat [eiseres] daarvoor publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten inzet, maar er is niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich schuldig maakt aan ondermijnende criminaliteit. Het enige dat vast staat is dat [gedaagde] de administratie van een klein deel van zijn bedrijfsactiviteiten – de verkoop van telefoons behelst slechts 20% van zijn bedrijfsactiviteiten – niet op orde heeft. Privaatrechtelijk gezien is de kantonrechter van oordeel dat – kortgezegd – het verzuimen van deze administratieplicht niet een zodanige tekortkoming jegens de verhuurder oplevert dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.
Parkeeroverlast
3.11.
[eiseres] stelt dat sprake is (geweest) van overlast door de aanwezigheid van verschillende voertuigen bij de winkel van [gedaagde] . De bestuurders van deze voertuigen zouden klanten zijn van [handelsnaam] en zorgen voor ongewenste drukte en zijn volgens [eiseres] een bron van hinder voor de omgeving, door onder andere het parkeren voor de gele streep. [eiseres] onderbouwt dit met vier waarnemingen van BOA’s uit mei 2025.
3.12.
[gedaagde] betwist dat de overlast, voor zover daarvan al sprake zou zijn, wordt veroorzaakt door zijn klanten. Volgens hem staan er regelmatig auto’s van eigenaren en bezoekers van een van de 21 andere bedrijven die gevestigd zijn aan de [straat] . Daarbij waarschuwt [gedaagde] zijn klanten voor het strenge parkeerbeleid van [eiseres] ; op zijn winkeldeur hangt een briefje met de tekst: “
PAS OP!! PARKEREN/STIL STAAN VERBOD!! U krijgt zonder waarschuwing direct een boete van € 110,-
3.13.
De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals ook onder 3.5 is overwogen, is het lastig om de positie van [eiseres] als overheidsorgaan te scheiden van haar positie als verhuurder. Op het moment dat BOA’s in het kader van hun reguliere taken zouden constateren dat parkeeroverlast bestaat bij de winkel van [gedaagde] , dan mag [eiseres] dit inbrengen in deze civiele procedure. [eiseres] heeft ter zitting echter aangegeven dat zij aan de BOA’s specifiek de opdracht had gegeven om te controleren of parkeeroverlast bestond bij de winkel van [gedaagde] . De waarnemingen van de BOA’s zijn van mei 2025, waarna de dagvaarding op 6 juni 2025 is uitgebracht. Dit wekt bij de kantonrechter een sterk vermoeden dat [eiseres] haar publiekrechtelijke bevoegdheid specifiek heeft ingezet voor haar eigen privaatrechtelijke belangen, waardoor sprake lijkt te zijn van een oneigenlijk gebruik van handhavingsbevoegdheden.
3.14.
Overigens is slechts bij twee van de vier waarnemingen van de BOA’s een link genoteerd tussen de overlast en [handelsnaam] . Eenmaal is gezien dat een foutparkeerder uit de winkel kwam en eenmaal werd gezien dat een pakketbezorger snel iets afgaf in de winkel. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de overlast wordt veroorzaakt door zijn klanten en heeft foto’s getoond van de situatie ter plaatse waarop bijvoorbeeld te zien is dat auto’s van de busonderneming geparkeerd staan bij de gele streep. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat (de klanten van) [gedaagde] overlast veroorzaken.
Conclusie
3.15.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Niet door het verzuimen van de administratieplicht en ook niet door het veroorzaken van parkeeroverlast. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat de vorderingen van [eiseres] in een bodemprocedure zouden worden toegewezen. De gevorderde ontruiming wordt daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.16.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan hem moet betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 543,00 (tarief kort geding eenvoudig € 543,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 678,00

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2025.

Voetnoten

1.Zie artikel 7:309 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Zie artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek.