ECLI:NL:RBMNE:2025:3848
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing prestatiebeurs masteropleiding buitenland wegens onvoldoende motivering vergelijkbaarheid
Eiser vroeg een prestatiebeurs aan voor een 1,5-jarige wo-master International management aan een Duitse onderwijsinstelling. De minister wees de aanvraag af omdat er volgens hem in Nederland geen vergelijkbare opleiding bestaat die studiefinanciering rechtvaardigt. Eiser stelde dat de master aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wel vergelijkbaar is.
De rechtbank stelde vast dat de opleidingen qua duur, studiepunten, niveau en naam gelijk zijn. De minister kon niet onderbouwen waarom de opleiding in Rotterdam zou verschillen van die in Duitsland, noch met een nieuw advies van Nuffic. Hierdoor was de motivering van het besluit onvoldoende.
De rechtbank oordeelde dat de minister eerst een nieuw advies van Nuffic moet inwinnen over de vergelijkbaarheid en daarna een nieuw besluit moet nemen. Ook werd het griffierecht aan eiser vergoed. De rechtbank liet de rechtmatigheid van het onderscheid in prestatiebeursrechten na een hbo- en wo-master buiten beschouwing.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de prestatiebeurs wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.