ECLI:NL:RBMNE:2025:3801

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/1969
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbRegeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling terugvordering onverschuldigde WW-uitkering en hoorplicht

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de verhoging van het maandelijkse termijnbedrag voor de terugbetaling van een schuld van ruim €21.000,- aan het UWV wegens onverschuldigde WW-uitkering.

Eiser was het niet eens met de verhoging van €50,- naar €150,- per maand per 1 januari 2025 en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder schending van de hoorplicht in de bezwaarprocedure en het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelt dat het UWV eiser ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarprocedure, wat een gebrek vormt. Dit gebrek wordt echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eiser in de beroepsfase alsnog zijn standpunten heeft kunnen toelichten.

Inhoudelijk vindt de rechtbank de verhoging niet kennelijk onredelijk, omdat het UWV het termijnbedrag heeft vastgesteld op basis van de aflossingscapaciteit van eiser. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging is gedaan dat het termijnbedrag altijd €50,- zou blijven.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van €1.814,- en tot vergoeding van het griffierecht van €53,- aan eiser.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verhoging van het termijnbedrag is ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten aan eiser wegens schending van de hoorplicht door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1969

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. C.W. B. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de betalingsregeling die het Uwv met eiser heeft afgesproken voor het terugbetalen van de schuld die eiser heeft bij het Uwv. De schuld bedroeg eind november 2024 ruim € 21.000,- vanwege teveel uitbetaalde uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Eiser is het niet eens met de verhoging per 1 januari 2025 van het bedrag dat hij maandelijks moet terugbetalen van € 50,- naar € 150,-. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit dat het Uwv heeft genomen op de bezwaren van eiser tegen de verhoging van het termijnbedrag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv eiser ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarprocedure. Aan het bestreden besluit kleeft dus een gebrek. Maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Inhoudelijk krijgt eiser geen gelijk en is het beroep dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv gebleven bij zijn eerdere besluit dat eiser per 1 januari 2025 in staat is maandelijks € 150,- terug te betalen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
Had het Uwv in de bezwaarfase moet horen?
3. Eiser voert aan dat het Uwv hem in de bezwaarprocedure ten onrechte niet heeft uitgenodigd voor een hoorzitting.
4. Voordat het Uwv op een bezwaar beslist, moet hij de belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord. [1] Op deze hoorplicht in de bezwaarprocedure bestaan een aantal uitzonderingen. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat geen van deze uitzonderingen zich hier voordoet. Door eiser niet in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, heeft het Uwv gehandeld in strijd met artikel 7:3, eerste lid, van de Awb. Dit heeft het Uwv in het verweerschrift en op de zitting ook erkend.
5. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Eiser heeft in deze beroepsprocedure zijn beroepsgronden mondeling kunnen toelichten, waardoor hoor en wederhoor in deze fase van het geschil alsnog is gewaarborgd. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van eiser uit de beroepsfase.
Leidt de verhoging van het termijnbedrag tot een kennelijk onredelijk resultaat?
6. Eiser voert aan dat de maandelijkse verhoging van € 50,- naar € 150,- tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt door een combinatie van:
  • een verhoging met 300% en
  • de afwijking van de betalingsregeling voor een bedrag van € 50,- die partijen met elkaar hebben afgesproken zoals deze met de brief van 6 maart 2023 door het Uwv aan eiser is bevestigd.
Daarom had het Uwv volgens eiser moeten afwijken van de standaardregeling voor uitstel van betaling zoals deze is opgenomen in artikel 3 van Pro de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen. Volgens eiser mocht hij er op basis van de brief van 6 maart 2023 op vertrouwen dat het terug te betalen bedrag € 50,- per maand zou blijven.
7. Het Uwv heeft de verhoging van het termijnbedrag gebaseerd op de aflossingscapaciteit van eiser in november 2024 van € 596,- per maand. Eiser betwist de aflossingscapaciteit op dat moment niet. Maar omdat eiser een wisselend inkomen heeft en meerdere schuldeisers heeft, is het voor hem niet mogelijk om € 150,- per maand op zijn schuld bij het Uwv af te lossen.
8. De rechtbank stelt vast dat het Uwv met het bepalen van het nieuwe termijnbedrag op € 150,- op 1 januari 2025 niet de totale aflossingscapaciteit van eiser heeft benut. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het besluit van het Uwv daarom niet tot een kennelijk onredelijk resultaat. Als de aflossingscapaciteit van eiser door omstandigheden afneemt, zal het Uwv ook het termijnbedrag weer naar beneden kunnen bijstellen. Inmiddels heeft het Uwv dit vanwege een loonbeslag per 1 april 2025 ook gedaan. Het Uwv is daarom voorlopig akkoord gegaan met een betaling van € 50,- per maand. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat eiser ook na 1 april 2025 nog voldoende aflossingscapaciteit heeft voor een betaling van € 150,- per maand, omdat er dan nog € 466,- per maand resteert aan aflossingscapaciteit.
9. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet. Om een beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen doen, moet allereerst sprake zijn van een toezegging. Het is de rechtbank niet gebleken, en eiser heeft ook niet gesteld, dat het Uwv de toezegging heeft gedaan dat het termijnbedrag voor het aflossen van de schuld die eiser bij het Uwv heeft altijd € 50,- per maand zal blijven.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser in de maanden januari, februari en maart 2025 een bedrag van € 150,- aan het Uwv moet aflossen.
11. Het bestreden besluit vertoont wel een gebrek. Zoals overwogen onder 4 had het Uwv eiser in de bezwaarprocedure moeten horen. Dat het Uwv dit niet heeft gedaan is voor de rechtbank aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiser van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:3, tweede lid, van de Awb.