Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 31 juli 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder stelde dat het besluit nog in behandeling was, maar erkende de overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank oordeelt dat verweerder op 27 januari 2025 in gebreke is gesteld en dat het beroep van eiseres gegrond is. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn, conform de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een besluit moet nemen.
De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, waarin een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch wordt beschouwd. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 12 maart 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter Vollebregt-Kuipers op 6 juni 2025.