Uitspraak
1.De procedure
- de aanvullende producties 4 tot en met 14 van [eiser]
- de producties 1 tot en met 11 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 4 juli 2025
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres vordert betaling van loon en wettelijke verhoging over de periode december 2024 tot mei 2025, afgifte van haar personeelsdossier en wedertewerkstelling bij een net gestart zorgbedrijf. Zij baseert haar vordering op een schriftelijke arbeidsovereenkomst die zij met een bestuurder heeft ondertekend.
Gedaagde betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en wijst de vorderingen af. De kantonrechter oordeelt in kort geding dat onvoldoende aannemelijk is dat eiseres daadwerkelijk 40 uur per week heeft gewerkt zoals in de overeenkomst is vastgelegd. De werkzaamheden die eiseres heeft verricht, zoals incidentele hand- en spandiensten en beperkte administratieve taken, sluiten niet aan bij de overeengekomen arbeidsomvang en -inhoud.
Ook acht de kantonrechter het aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst verband houdt met interne onenigheid tussen aandeelhouders. Gezien het voorlopige karakter van de procedure en het ontbreken van duidelijk bewijs, wijst de kantonrechter de vorderingen af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De loonvorderingen van eiseres worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het bestaan van een arbeidsovereenkomst en daadwerkelijk verrichte arbeid.