De zaak betreft het ontslag op staande voet van een kassamedewerker bij Albert Heijn, die ervan werd verdacht opzettelijk producten niet te hebben gescand, waardoor de supermarkt financieel werd benadeeld. De melding kwam van een klant die een incident op 10 februari 2025 had waargenomen, waarna Albert Heijn onderzoek deed met kassabonnen en videobeelden.
Uit het onderzoek bleek dat de medewerker twee van vijf producten en een plastic tas niet had gescand. De medewerker ontkende opzet, maar tekende een schuldbekentenis. Het ontslag op staande voet volgde op 20 februari 2025. De medewerker startte een procedure tegen het ontslag en vorderde aanvankelijk herstel van de arbeidsovereenkomst, later alleen een billijke vergoeding, salaris en transitievergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag terecht was gegeven omdat sprake was van een dringende reden: opzettelijk niet scannen van producten, in strijd met het zero tolerance beleid van Albert Heijn. Het ontslag was onverwijld gegeven, hoor en wederhoor waren toegepast, en de medewerker had geen zwaarwegende persoonlijke belangen gesteld. De verzoeken tot vergoeding werden afgewezen en de medewerker werd veroordeeld in de proceskosten.