In deze kort geding procedure vordert [eiser] B.V. nakoming van een concurrentiebeding tegen haar voormalig werknemer [gedaagde], die per 1 juli 2025 bij een directe concurrent in dienst is getreden. Het concurrentiebeding verbiedt [gedaagde] binnen twaalf maanden na het einde van zijn dienstverband zonder schriftelijke toestemming bij een concurrerend bedrijf te werken.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] het concurrentiebeding heeft geschonden door bij [bedrijf] B.V. te gaan werken, een directe concurrent van [eiser] op de markt voor zakelijke print- en IT-diensten. Ondanks het verweer van [gedaagde] dat hij zich aan het geheimhoudings- en relatiebeding zal houden en dat hij slechts kort toegang had tot concurrentiegevoelige informatie, oordeelt de rechter dat hij vanaf september 2024 al toegang had tot relevante bedrijfsinformatie en dat het concurrentiebeding daarom terecht wordt gehandhaafd.
De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van een contractuele boete af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing. Wel wordt een dwangsom toegewezen van € 2.500 per dag met een maximum van € 50.000 om naleving van het concurrentiebeding af te dwingen. De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.