ECLI:NL:RBMNE:2025:3499
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij niet tijdig beslissen op WIA-aanvraag
Verzoeker heeft op 28 februari 2025 een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Het UWV bevestigde op 12 maart 2025 dat de aanvraag compleet was en gaf aan uiterlijk 1 mei 2025 te zullen beslissen, met mogelijke vertraging van gemiddeld 11 weken. Verzoeker werd op 12 juni 2025 opgeroepen voor een medisch spreekuur op 7 juli 2025, maar annuleerde deze afspraak vanwege de lopende beroepsprocedure.
Op 13 juni 2025 diende verzoeker een beroep in wegens niet tijdig beslissen en verzocht om een voorlopige voorziening om het UWV binnen 7 dagen te verplichten te beslissen en een loonsanctiebeoordeling uit te voeren. Verzoeker stelde dat de vertraging onherstelbare schade veroorzaakt, waaronder verergering van psychische klachten en financiële stress.
De voorzieningenrechter overwoog dat het beroep niet tijdig beslissen het juiste rechtsmiddel is om binnen afzienbare tijd een beslissing te verkrijgen en dat de rechtbank in beginsel binnen acht weken uitspraak doet. Hoewel de psychische situatie van verzoeker ernstig is, is er geen aanwijzing dat een onomkeerbare situatie dreigt zolang het beroep niet is beslist. Verzoeker ontvangt bovendien sinds 18 juni 2025 een voorschot op de WIA-uitkering, waardoor financiële schade wordt beperkt.
Daarom is onvoldoende spoedeisend belang vastgesteld om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is als kennelijk ongegrond afgewezen. De voorzieningenrechter benadrukte het belang van het medisch spreekuur voor de beoordeling en adviseerde verzoeker snel een nieuwe afspraak te maken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.